Tijdens het verrichten van betaalde arbeid kom ik regelmatig tot nieuwe inzichten. Met die inzichten doe ik vervolgens nooit echt iets. Het is vaak kennis die handig is voor het te verrichten werk, maar meer ook niet. Een leuke bijkomstigheid.
Eén van de meest recente inzichten heeft te maken met mijn handelingen als ervaren jassen-ophanger. Dan sta je in een garderobe van een schouwburg jassen van mensen aan te nemen die binnen een halfuur gaan genieten van een voorstelling en overvalt zoiets je. En dan gaat het mij niet eens om de belachelijk, overdreven nichterige manier van overgeacteerd gastvrij zijn, waar ik een kei in ben. Een zwerfkei, durf ik wel te stellen. Dat is een net iets grotere kei. En een wat oudere. Hoewel je ongetwijfeld ook kleine zwerfkeien hebt, moet je mij in deze context maar even beschouwen als een enorme zwerfkei. Een enorme, homofiele zwerfkei.
Dat is dus niet waar ik heen wil hier. Dat inzicht was een tijdje terug al door mij opgemerkt. Wat ik mij recenter ineens besefte heeft te maken met lusjes. Lusjes waaraan je jassen kan ophangen, om precies te zijn. Er zijn een heel veel verschillende soorten lusjes. Sommige zijn zelfs het woord lusje onwaardig en kunnen beter ’stalen ketting’ genoemd worden. Vooral gestoffeerde jassen met hoge kraag hebben daar een handje van. Het is voor mij als garderobe-man bij iedere jas weer een verrassing waar ik mee wordt opgezadeld. Stiekem hoop ik telkens op dat eenvoudige lusje, zoals jassenlusjes bedoeld zijn. Gewoon lekker simpel, de lus is namelijk geen onderdeel van de uitstraling van een jas. Je ziet het lusje van afstand niet, dus waarom er in godsnaam een kleurtje of extra naadje aan geven. Dat hoeft gewoon niet. Geef mij maar gewoon die overzichtelijke lus.
Waar ik dan, hopend op die gebruiksvriendelijke lus, vaak op stuit is de elastieke lus. En die zijn me toch een partij kut. Niet alleen rekt het elastieke lusje na iedere ophangbeurt verder uit, wat je op zich al als een zwaarwegend minpunt kunt zien voor een fatsoenlijke lus, ook de stof waarvan de lus is gemaakt is vaak gerafeld. Dit laatste heeft tot gevolg dat het elastieken lusje vaak tegen breken aanzit en ik als nichterig pratende jasophanger met de gebakken peren zit als het elastiekje door mijn toedoen breekt. “Kun je niet ff wat voorzichtiger doen!?” krijg ik dan naar mijn hoofd geslingerd. Nee, daar word ik dan op zo’n moment niet blij van.
Vooral het elastieken lusje is dus vervelend, maar er zijn er nog meer. Zo heb je dus die stalen krengen (die ook erg gevoelig zijn), de veel te krappe lusjes in kinderjasjes (wat is daar de logica van? De jas is klein, dus het lusje dan ook maar? Het is niet zo dat kapstokhaakjes zich in grootte aanpassen aan de jas) en de lusjes die eigenlijk geen lusjes zijn, maar het flapje waarop de maat van de jas en de temperatuur waarop de jas gewassen zou moeten worden mocht je die ingetrokken vlek snot er ooit nog uit willen halen.
Lusjes zijn er om een jas makkelijker op te kunnen hangen en dus vanuit een gemakbevorderende gedachtegang ontstaan. En wat mijn nieuw verkregen inzicht in deze kwestie dan precies is?
Als je in het woord ‘lusje’ van de ‘l’ een ”k’ maakt en van de ’s’ een ‘t’, dan krijg je kutje. Dat heeft de persoon die het concept ooit bedacht heeft maar al te goed geweten!
