Ronald Goeman

De Verplaatste Ronald Goeman

Jassenlusjes

Tijdens het verrichten van betaalde arbeid kom ik regelmatig tot nieuwe inzichten. Met die inzichten doe ik vervolgens nooit echt iets. Het is vaak kennis die handig is voor het te verrichten werk, maar meer ook niet. Een leuke bijkomstigheid.

Eén van de meest recente inzichten heeft te maken met mijn handelingen als ervaren jassen-ophanger. Dan sta je in een garderobe van een schouwburg jassen van mensen aan te nemen die binnen een halfuur gaan genieten van een voorstelling en overvalt zoiets je. En dan gaat het mij niet eens om de belachelijk, overdreven nichterige manier van overgeacteerd gastvrij zijn, waar ik een kei in ben. Een zwerfkei, durf ik wel te stellen. Dat is een net iets grotere kei. En een wat oudere. Hoewel je ongetwijfeld ook kleine zwerfkeien hebt, moet je mij in deze context maar even beschouwen als een enorme zwerfkei. Een enorme, homofiele zwerfkei.

Dat is dus niet waar ik heen wil hier. Dat inzicht was een tijdje terug al door mij opgemerkt. Wat ik mij recenter ineens besefte heeft te maken met lusjes. Lusjes waaraan je jassen kan ophangen, om precies te zijn. Er zijn een heel veel verschillende soorten lusjes. Sommige zijn zelfs het woord lusje onwaardig en kunnen beter ’stalen ketting’ genoemd worden. Vooral gestoffeerde jassen met hoge kraag hebben daar een handje van. Het is voor mij als garderobe-man bij iedere jas weer een verrassing waar ik mee wordt opgezadeld. Stiekem hoop ik telkens op dat eenvoudige lusje, zoals jassenlusjes bedoeld zijn. Gewoon lekker simpel, de lus is namelijk geen onderdeel van de uitstraling van een jas. Je ziet het lusje van afstand niet, dus waarom er in godsnaam een kleurtje of extra naadje aan geven. Dat hoeft gewoon niet. Geef mij maar gewoon die overzichtelijke lus.

Waar ik dan, hopend op die gebruiksvriendelijke lus, vaak op stuit is de elastieke lus. En die zijn me toch een partij kut. Niet alleen rekt het elastieke lusje na iedere ophangbeurt verder uit, wat je op zich al als een zwaarwegend minpunt kunt zien voor een fatsoenlijke lus, ook de stof waarvan de lus is gemaakt is vaak gerafeld. Dit laatste heeft tot gevolg dat het elastieken lusje vaak tegen breken aanzit en ik als nichterig pratende jasophanger met de gebakken peren zit als het elastiekje door mijn toedoen breekt. “Kun je niet ff wat voorzichtiger doen!?” krijg ik dan naar mijn hoofd geslingerd. Nee, daar word ik dan op zo’n moment niet blij van.

Vooral het elastieken lusje is dus vervelend, maar er zijn er nog meer. Zo heb je dus die stalen krengen (die ook erg gevoelig zijn), de veel te krappe lusjes in kinderjasjes (wat is daar de logica van? De jas is klein, dus het lusje dan ook maar? Het is niet zo dat kapstokhaakjes zich in grootte aanpassen aan de jas) en de lusjes die eigenlijk geen lusjes zijn, maar het flapje waarop de maat van de jas en de temperatuur waarop de jas gewassen zou moeten worden mocht je die ingetrokken vlek snot er ooit nog uit willen halen.

Lusjes zijn er om een jas makkelijker op te kunnen hangen en dus vanuit een gemakbevorderende gedachtegang ontstaan. En wat mijn nieuw verkregen inzicht in deze kwestie dan precies is?

Als je in het woord ‘lusje’ van de ‘l’ een ”k’ maakt en van de ’s’ een ‘t’, dan krijg je kutje. Dat heeft de persoon die het concept ooit bedacht heeft maar al te goed geweten!

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have Comments (3)

Ik ben een idioot.

Ik kan over zoveel dingen gaan zitten typen nu. Dat kan natuurlijk altijd en is een vrij loze constatering, maar ik bedoel er eigenlijk mee te zeggen dat ik wederom erg veel tijd heb laten verstrijken tussen deze creatieve uitbarsting en mijn vorige. Er zijn een heleboel dingen gebeurd, zoals er altijd heel veel dingen zijn gebeurd. Wederom een compleet betekenisloze constatering, maar deze keer bedoel ik te zeggen dat ik verschillende actualiteiten aan kan halen om daar dan een beetje grappig en grof over te filosoferen. Als voorbeeld noem ik dan een zaak zoals die van dat twaalfjarige meisje, hoe heet ze ook alweer, oh ja, Milly. Ik zou dan bijvoorbeeld iets kunnen schrijven als: ‘had ze maar niet zo hard aan die agent moeten zuigen’, maar zelfs ik vind dat behoorlijk smakeloos en zal er verder geen woorden aan wijden. Behalve dat ik het echt heel kut vind wat er is gebeurd. En dat dit soort dingen veel vaker gebeuren en ik me erover verbaas dat juist deze zaak zoveel media aandacht krijgt. En dat ik stille tochten echt één van de meest idiote initiatieven op deze planeet vind. Waarom ik dat vind laat ik aan de verbeelding over. Witte nike-petjes dragende, tweeëntwintig jaar oude, naar hardcore luisterende en cocaïne snuivende jongens die met tranen in hun ogen meedoen aan zo’n tocht, wil ik wel graag even laten helpen bij het verbeelden. Mensen die het zogenaamd zielig vinden voor het begraven-opgegraven-begraven slachtoffer en daarbij zo vaak in hun ogen wrijven dat ze helemaal rood en dik zijn en het dus ook nog eens lijkt alsof ze daadwerkelijk huilen om het verkrachte meisje. Laten we het daar gewoon niet over hebben.

Ik schrijf veel liever over dingen die ik wel leuk vind. Bij de gedachte aan dingen die ik leuk vind schieten er meteen een aantal dingen mij hoofd binnen. Muziek, spelletjes en alcohol zijn daarbij de voornaamste dingen die in mijn hoofd geschoten worden. En met alcohol bedoel ik natuurlijk gezellige shit met vrienden en uitgaan. Dus niet iedere avond elf goedkope blikjes bier naar binnen kletteren en met van die handschoenen zonder vingers voor een Albert Heyn of in een park honden aaien. Laat dat duidelijk zijn.

Ik ga voor deze creatieve opeenstapeling van woorden voor het tweede. Spelletjes. Sinds kort speel ik namelijk weer fanatiek een spelletje op de pc. Een schietspelletje. Het is een heel tof schietspelletje, waar ik heel veel adrenaline van krijg. Ik speel het online en schiet dan allemaal virtuele alter ego’s van medespelers dood. Zij schieten mij ook heel vaak dood, maar na tien seconden word je weer gewoon in het level geflikkerd en mag je wederom een poging doen zoveel mogelijk virtuele Russen dood te schieten. Ik haal daar heel veel genot uit. Het is namelijk zo dat het 2010 is en spelletjes alweer zo’n veertig jaar worden gemaakt. Dat betekent dat er een heleboel mensen in staat zijn bijzondere dingen te doen met de spelletjes die zij in elkaar sleutelen. Moderne spelletjes zien er grafisch echt heerlijk uit (behalve spelletjes op de Wii, dat ding produceert namelijk nauwelijks mooier dan wat er veertig jaar geleden werd geproduceerd en is dus eigenlijk naast felwit gewoon heel kut).

Ik speel al heel lang spelletjes en heb een eigenschap ontwikkeld die er op neer komt dat ik uiteindelijk in een spelletje altijd dingen aan het doen ben die niet de bedoeling zijn. Dingen waarvan de makers waarschijnlijk nooit hebben kunnen bedenken dat iemand achterlijk genoeg zou zijn het te gaan doen. Ik noem ter illustratie een rond zwemmende school visjes in het spel Super Mario 64 dat ik vakkundig het water-omringende zand in joeg. De makers hadden tijdens de ontwikkeling van het spel waarschijnlijk nooit stil gestaan bij het eventuele plezier dat een blond jongetje zou halen uit het achtervolgen van decoratief geplaatste 2D vissen.

Die vreemde drang tot onzinnigheid is in de loop der jaren niet minder geworden en is één van de redenen dat het schietspelletje waar ik eerder over schreef mij zo kan bekoren. Het spel bevat namelijk een eigenschap die bij uitstek geschikt is voor mij om mijn idiote drang tot het belachelijke te botvieren. Alles kan namelijk kapot. Huizen, muurtjes, voertuigen, bomen, stoelen, tafels, noem het maar op en het kan kapot. En dat, lieve lezers, is voor mij als wat een twaalfjarig jongetje is voor een pastoor. Ik kan zo opgewonden raken van een bakstenen muurtje dat in duizenden stukken uit elkaar spat door een goed geplaatste handgranaat. Of een palmboom die door een welgemikte kogel keihard omver lazert. Heerlijk, vind ik dat. Zien dat een vijandige alter ego zich verschuilt op de eerste verdieping van een houten schuurtje en dan vervolgens met totaal overbodig veel geweld dat complete schuurtje aan gort blazen in de hoop dat de tegenstander met gebouw en al kapot gaat en als gevolg daarvan tien seconden vloekend naar zijn beeldscherm mag zitten kijken.

Dingen kapot maken, daar houd ik nou echt van.

Zo heeft het kunnen gebeuren dat ik op deze eerste Paasdag in plaats van brunchen met familieleden, een houten stoeltje met een mes in zesenveertig stukjes heb zitten snijden.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Persoonlijk and have Comment (1)

Groene tieten

Het lijkt me wel weer lekker om er maar meteen even een dikke unit van een cliché uit te smijten, dus: TIJDJE GELEDEN ALWEER! Zo, heerlijk. Echt gewoon even zo eentje. Ik heb de afgelopen weken meerdere malen voor dit ‘add a new post’-schermpje gezeten, maar er kwam niks uit. Echt helemaal niks. Dat je in de woonkamer een broodje zit te eten met een heerlijk glas melk en dan ineens voelt dat je naar de wc moet, vervolgens je glaasje melk op tafel neerzet en in een stevig drafje naar het toilet stapt, om vervolgens al zittende te ontdekken dat het alleen een ingeving was en Finidi nergens te bekennen is en hij je gewoon een beetje zat te fucken. Vijf minuten later neem je opnieuw een slok van je glaasje melk en komt die hufter ineens weer heel sneaky met z’n hoofd om het hoekje. En dat dan twee weken lang.

Dat is vervelend. Ik wil het namelijk wel, maar het blijft dan gewoon ergens hangen ofzo. Misschien komt het door al die dingen die ik de laatste tijd voor m’n studie moet schrijven. Die recensies die ik moet schrijven vergen nogal wat creatieve herseninspanning van me. Zo zat ik van de week bij een toneelstuk. Het was de bedoeling dat ik er in minimaal negenhonderd woorden een degelijk stuk tekst over schreef, waarin ik op fatsoenlijke wijze een poging doe in nette bewoordingen te beargumenteren waarom ik het echt een klotestuk vond. Met alleen ‘wat een ongelooflijk chaotisch klerestuk was dat, zeg!’ kom je niet weg dan. Onderbouwen is een vereiste. Ik zal even laten zien over wat voor stuk ik het heb, dat zal ongetwijfeld wat begrip scheppen.

Gezien? Oké.

Dan begrijp je bij deze de moeite die ik had bij het schrijven van een fatsoenlijke lap tekst over het toneelstuk. Hoewel, dit filmpje toont lang niet alle vreemde dingen die er in het complete stuk voorbij komen. Zo noem ik graag een met groene verf ingesmeerd halfnaakt meisje (als in niks meer dan een witte broek om haar benen (jazeker: TIETEN!)) die gedurende vijftien minuten een kaktus heeft staan knuffelen. De absurde symboliek denk ik daar wel uit te kunnen halen, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat het een erg vreemde vertoning is. Als echte man wil ik daarbij wel even gezegd hebben dat er met de borsten absoluut niks mis was. Een lekkere hand vol.

Verder vond ik het veel jongere meisje dat in een felwitte oufit een speelgoed hondje uitliet en onder de bloedspetters zat, toch ook wel vrij idioot. En natuurlijk mag de jongen die in een aan de voorkant aan flarden geknipt legeruniform ongeveer driekwartier over het podium heeft liggen kruipen, niet ontbreken. Achteraf gezien allemaal best wel grappig eigenlijk. Misschien was het ook wel een heel sterk stuk, maar heb ik gewoon teveel gekeken naar de borsten die voorbij kwamen. De verhaallijn is mij namelijk volledig ontgaan. De borsten allerminst.

Het was een mooie ervaring om als toneelleek tussen de serieuskijkende brillendragers te zitten in een sfeervol klein theatertje in Amsterdam. Maar veel vaker ga ik het ongetwijfeld niet doen.

En nu, ga ik mijn tijd nuttig besteden.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Persoonlijk and have No Comments

Wetenschap

Binnen communicatiewetenschappen wordt veel onderzoek gedaan naar media effecten. Het komt dan ook regelmatig voor dat er binnen sociale wetenschappen zoals de communicatiewetenschap op een kwantitatieve manier wordt gekeken naar media gebruik. Zet wat mensen voor een tv en leg ze na een halfuur aan reclameblok een vragenlijstje voor waarin ze moeten aangeven of ze zich het merk kunnen herinneren dat na precies twee minuten en vierendertig seconden voorbij kwam, het liefst op een schaal oplopend van één tot negen. “Kunt u aangeven in hoeverre u de merknaam in het derde filmpje nog kunt herinneren op een schaal van één (totaal niet) tot negen (totaal wel).” Ik zie dan bij de keuze voor een score van zes iets voor me als: ik heb werkelijk geen idee wat het merk was maar er staat me vaag iets bij van een wasmiddel dus laat ik maar een zesje invullen zodat het in ieder geval lijkt alsof ik daadwerkelijk heb zitten kijken, terwijl ik stiekem eigenlijk mijn moeder zat te smsen of er nog groene thee in de kast staat. Op een soortgelijke manier wordt er door een heleboel wetenschappers ook onderzoek gedaan naar de relatie tussen videospellen en agressie.

Ik vind dat vervelend. Laat een groep mensen een schietspel spelen, neem een vragenlijst af waarin moet worden aangegeven hoe je zou reageren wanneer iemand zijn Audi a6 vol tegen de achterbumper ramt van jouw Suzuki Swift, waardoor je naast twee weken een stijve nek hebben ook nog eens je auto total loss mag inleveren bij de dealer. Beantwoord de vraag met ‘ik zou boos zijn en de man in de Audi a6 uitmaken voor schele Duitser’ en je hebt een positieve correlatie. Het spelen van een schietspel zorgt ervoor dat je agressief reageert op een situatie. Zonder het schietspel zou je namelijk uitstappen, naar de Audi a6 lopen, de man erin een knuffel geven en je oma bellen dat je van het weekend wel graag gebakken aardappeltjes met een biefstukje zou willen eten.

Dit klinkt wat overdreven en dat is het ook. Maar het komt wel neer op hoe er door een heleboel wetenschappers onderzoek wordt gedaan naar bijvoorbeeld videospellen en agressief gedrag. Je begint je onderzoek met de gedachte dat spellen eventueel agressief gedrag kunnen bevorderen en vervolgens doe je er alles aan die conclusie te kunnen trekken. Natuurlijk je verhaal afsluitend met de stelling dat verder onderzoek ter aanvulling noodzakelijk is, maar dat dit toch wel een heel mooi beginnetje is. Ik vind dat zo nu en dan best storend. Ik betwijfel of ik zelf ooit uitgebreid onderzoek zal gaan doen, maar mocht het toch gebeuren dan zal ik proberen aan te tonen of je lucht het best in de oven of de magnetron kunt bereiden.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have No Comments

De Recensent

Dit is waarmee ik mijn docente verblijd. Een heuse recensie. Aangezien ik al een tijdje niks meer heb geschreven voor mijn site, moet ik maar even vals spelen. Het gaat over de film Edge of Darkness. Doe ermee wat je wil.

De onverstaanbare terugkeer van een oude rot

Na zich de laatste jaren enkel achter de camera te hebben opgesteld, is het nu weer eens tijd voor een optreden op de voorgrond. Mel Gibson is na bijna zes jaar afwezigheid namelijk weer terug als acteur in de stevige Hollywood-productie Edge of Darkness. De veteraan speelt hierin de norse politieagent Thomas Craven (met even stoer als onverstaanbaar accent) waarvan de dochter bij wijze van ongeluk overhoop wordt geschoten door crimineel gespuis. In eerste instantie lijkt het erop dat de daders het op de oude Craven gemunt hebben en een klein inschattingsfoutje hebben gemaakt wat betreft het richtwerk, maar al na een klein halfuurtje film wordt duidelijk dat de vork iets ingewikkelder in de steel zit. Vanaf het moment dat Craven erachter komt dat zijn dochter minder onschuldig is dan hij altijd heeft gedacht worden de eerste signalen van een smerige samenzwering duidelijk en begint de ellende pas echt.

Ellende die helaas erg voorspelbaar is. Het verhaal van Edge of Darkness is namelijk behoorlijk clichématig. Het is de dertien in een dozijn actie-thriller waarvan je weet dat als de ingenieuze plotwending na anderhalf uur nog niet heeft plaatsgevonden, je hem ook niet meer hoeft te verwachten en de film uiteindelijk zonder bijzonderheden richting het einde rolt. Dit wil niet per definitie zeggen dat de film daardoor slecht is, sterke acteerprestaties zouden bijvoorbeeld een hoop goed kunnen maken.

Helaas valt de film in dat opzicht ook nogal tegen. Zoals gezegd acteert Mel Gibson met een stoer en onverstaanbaar accent waarmee mensen uit de stad Boston in Amerika blijkbaar gezegend zijn. Mel Gibson is geboren in de staat New York en is opgegroeid in Australië, dus het Boston-accent is ingestudeerd en daardoor nep. Ik maak hier zo een punt van omdat ik mij de gehele film bleef ergeren aan dat vervelende accent. Ik neem Mel Gibson als acteur heus wel serieus, maar in Edge of Darkness lukte het mij simpelweg niet. Hij speelt de rol van een onder een en al ellende gebukt gaande vader die niets meer wil dan de waarheid boven tafel krijgen om zo met de nodige vrede zijn leven uit te kunnen leven. Mel Gibson zet hem echter neer als een wraaklustige actieheld. Daarbij komt ook nog het optreden van Ray Winstone, die de rol van mysterieuze badguyspeelt (het schijnt dat Robert De Niro tijdens de opnames is weggerend voor deze rol), dat gewoon niet klopt. Zijn Gibson en Winstone nou vrienden of vijanden? Het wordt op de spaarzame momenten dat zij samen een scène vullen amper duidelijk. Of dat komt door de vertolking door Winstone of het matig uitgewerkte script, zou ik zo gauw niet durven te zeggen.

De film is geregisseerd door Martin Campbell, de man die eerder ook al twee James Bondfilms regisseerde. Campbell is een man die wel houdt van spannende verhalen en spectaculaire actiemomenten in zijn films en ook in Edge of Darkness zie je dat terug. De scènes waaruit dat blijkt, ik noem een chaotische autoachtervolging of een pittige vechtpartij met messen, worden prachtig in beeld gebracht, maar voegen in mijn ogen helaas bar weinig toe aan het verhaal. Het verhaal dat probeert een moderne, realistische samenzwering weer te geven wordt op deze manier omgebogen tot een spannende James Bondfilm en dat doet in mijn ogen afbreuk aan de authenticiteit ervan. Waarom moet het geheimzinnige ex-vriendje zonder enige aanleiding Craven in de haren vliegen met een mes? Of waarom het totaal onverklaarbare ongeluk waarbij de beste vriendin van overleden dochterlief voor haar sokken wordt gereden? Ze voegen niets dan ongeloofwaardigheid toe aan het verhaal.

Die James Bond geschiedenis van de regisseur wordt nog meer duidelijk door de keuze voor één schurk. Natuurlijk is het voor de duidelijkheid van een film handiger om één verpersoonlijking van het kwaad neer te zetten dan een onduidelijker groter geheel, maar zoals het in Edge of Darkness wordt gedaan is in mijn ogen wel heel simpel. De eigenaar van de fictieve multinational ‘Northmoor’ is verantwoordelijk voor alle ellende en moet dood. Het maakt van deze film een Bondeske actie-thriller waarbij de nadruk net iets teveel op het eerste woord ligt. Dat de film eigenlijk als thriller bedoeld is, blijkt uit het beetje drama dat Campbell probeert te uiten in een aantal emotionele flashbacks waarin Craven’s dochtertje nog leefde. De poging tot het opwekken van empathie bij de kijker druipt er werkelijk vanaf en maakt de scènes er helaas niet sterker op. Het past ook niet in het geheel. Bij mij wordt door deze momenten de indruk gewekt dat op het allerlaatste moment is besloten de scènes in de film te verwerken, om zo toch nog even wat drama toe te voegen aan het overwegend actiegerichte geheel.

Al met al ben ik dus niet heel erg te spreken over Edge of Darkness. Het is de terugkeer van een zeer gewaardeerde acteur, waar je meer van mag verwachten dan de onderhoudende actiefilm die Edge of Darkness is. De ideeën en acteur zijn er, nu alleen de uitwerking nog. De poging om van Edge of Darkness een spannend Hollywood-spektakel te maken zorgt er helaas voor dat er geen ruimte is voor het broodnodige beetje drama en je na het zien van de film met een gevoel achterblijft dat er veel meer met het verhaal gedaan had kunnen worden. Sta je de volgende keer weer gewoon achter de camera, Mel?

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have No Comments

Wij

Zo zullen wij, Nederlanders – om met de tenenkrommende woorden van champagnelurker Mart Smeets te spreken – ons de Olympische Winterspelen 2010 altijd herinneren.

En Bob de Jong reedt zijn rondjes rechtsom.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have Comment (1)

Arie Bombarie en een schijtende zeekoe

Ik wil proberen uit te leggen hoe idioot grappig mijn laatste bezoek aan de Haarlemse feesttent Patronaat was. Het was alweer een tijdje geleden dat ik voor het laatst lekkend als een incontinente schoonmoeder heb gelachen tijdens het uitgaan, maar die avond overkwam het me weer eens.

De bewuste avond begon als een regenachtige, met bier en een familielid op bezoek. Helemaal vanuit Den Helder overgekomen om met mij bier te drinken en een stevig stonerrock concertje bij te wonen van de Californische rockband Fu Manchu. Fu Manchu is een zomerse band waarvan je alleen nummers kent die zijn gebruikt in het computerspel Tony Hawk’s Pro Skater. Los daarvan wist ik van tevoren in ieder geval werkelijk geen enkel nummer op te noemen, na afloop gold dat trouwens nog steeds. Dat betekent overigens niet dat de band niet boeiend was, want dat waren ze natuurlijk wel. De zanger waggelde als een kreupele zeehond over het podium, de tweede gitarist moest na afloop ongetwijfeld bij een eerste hulpafdeling opgenomen worden wegens kotsmisselijkheid door zijn constant headbangende hoofd en de bassist liep erbij alsof er een bierflesje in zijn kont zat. Een gevuld bierflesje. Ze speelde lekker en hard en het was eigenlijk best een fijn concert. De pitt was ook aardig op dreef, ik meende de nodige valpartijen en bloedneuzen te hebben gespot en dat vind ik gewoon fijn. Rockmuziek is gewoon fijner als je ondertussen mensen elkaar al dan niet bewust pijn ziet doen, net zoals jouw biertje fijner is als de persoon naast je de zijne op de grond kapot laat kletteren en zich ervan bewust is dat hij nog maar één slok had genomen. Jammer was wel dat er geen toegift werd gegeven. Geen toegift is in mijn ogen hetzelfde als iemand in zijn ballen spugen en vervolgens in het gezicht schoppen, niet tof dus. Het hoogtepunt moest echter nog komen.

Na het concert konden we namelijk na een kleine plaspauze overstappen naar een ander zaaltje waar het zogenaande ‘Bombarie’ plaats zou gaan vinden. Het concept daarvan is vrij simpel en heeft nogal de potentie volledig uit de hand te lopen. Het idee van Bombarie is dat iedere incapabele lul het podium op kan met zijn of haar paars gespoten dwarsfluit en er vervolgens muziek mag gaan maken. Of een gedicht voordragen. Of jezelf in het gezicht slaan. Alles is eigenlijk geoorloofd, iedereen is namelijk dronken en het maakt allemaal niet zo heel veel uit. Het leverde die avond dan ook vrij idiote taferelen op. Het programma werd aan elkaar gepraat door een ietwat vadsige circusdirecteur genaamd Arie. Ik heb geen idee wat de werkelijke naam van deze man is, maar ik zou het graag willen weten. Ik wil de man namelijk bij Hare Majesteit de Koningin voordragen voor een lintje. Dronken, scherp en gewoon extreem grappig, zijn termen waarmee ik de man het meeste recht doe. Zoals hij de dronken podiumbestijgers op subtiele manier compleet voor lul wist te zetten is echt pure schoonheid. Ik zou het zo nooit kunnen, niemand zou het zo kunnen. De man is een held.

Ik heb vervolgens nog harder gelachen door het bandje randdebielen met als instrumenten onder andere een elektrische viool en accordeon. Het leek één grote aanfluiting te worden, maar het tegendeel bleek waar. Een negentienjarige gozer begon na een kleine intro op zijn gitaar als een Duitse SS-officier in de microfoon te brullen en ik dacht heel even dat mijn hart het zou gaan begeven door mijn enorme lachuitbarsting, die als het geluid van een schijtende zeekoe geklonken moet hebben. Na deze enerverende band stond er ineens een wat verdwaaste Oostblokker op het podium die in gebrekkig Nederlands het meest gestoorde gedicht voordroeg, althans, ik neem aan dat het een gedicht was. De zeekoe scheet rustig door.

De bellenblaaswedstrijd tussen drie jarige mensen en een dronkon meisje, de zich compleet kapot gesnoven rockers en een enorme leverworst maakten het feest vervolgens op gepaste wijze compleet en het duurde dan ook even voordat de zeekoe kon afknijpen. Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt.

Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt. Ik heb in geen tijden zo hard gelachen en ik zal echt nooit meer leverworst eten. Nooit meer!

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have No Comments

Alaaf my ass

Ik zal een poging doen te verwoorden wat carnaval voor mij betekent en waarom ik het zelf nooit zal gaan doen.

Het is hopelijk algemeen bekend dat ik zelf nog nooit carnaval heb gevierd en het ook nooit van mijn leven ga vieren. Dit is overigens geen poging mensen die het wel vieren compleet belachelijk te maken (dat doen jullie immers zelf al ;) ), maar een poging mezelf te etaleren als nuchtere jongen die bij het horen van de term carnaval al kotsmisselijk word en het liefst zo veel alcohol, of ander geheugenverneukende ellende, in zijn lichaam wil gieten/stoppen dat hij bij de eerstvolgende keer dat de term carnaval naar zijn hoofd wordt geslingerd hij denkt en zegt: ,,Sorry, wat?”. 

Dat is natuurlijk een beetje overdreven, maar de gedachte lijkt me duidelijk.

Ik vind carnaval kut. Het is een volksfeest waar ze mensen in Brabant en Limburg een jaar lang naartoe leven en waar diezelfde mensen zelfs het hele jaar hun salaris voor opzij schuiven om vervolgens al dat zuurverdiende geld in kartonnen clowns, aanhangwagens en blaasinstrumenten te steken. Het is voor die mensen dan ook een belangrijke gebeurtenis. Dat respecteer ik en vind ik zelfs nog wel oké, hoewel ik echt heel veel moeite heb met het begrijpen ervan. Ik wil het ook niet begrijpen. 

In Noord-Holland daarentegen is carnaval iets heel anders. Ik moet mijn eigen geblaat hier dan ook even nuanceren: ik vind carnaval in Noord-Holland en alle andere streken waar carnaval absoluut nul komma nul historische waarde heeft kut. Er wordt in die omgevingen namelijk een sport van Olympische proporties van gemaakt. De gedachte achter carnaval daar valt samen te vatten met de woorden ‘zet jezelf zo verschrikkelijk hard voor lul, zorg dat iedereen ziet dat je een poging doet jezelf harder voor lul te zetten dan de mensen die zichzelf ook zo hard mogelijk voor lul proberen te zetten, speel hierbij vals door zoveel mogelijk bier te drinken en beloon jezelf door met meer dan vijf mensen te zoenen en met minstens twee mensen in een openbaar toilet, achter een ondergespoten schuurtje of in een met sneeuw bedekte, uitgebloeide struik een stinkende partij neuk af te werken’. De mensen die carnaval vieren (buiten Brabant en Limburg natuurlijk, hoewel binnen Brabant en Limburg waarschijnlijk precies hetzelfde principe geldt maar waar die spuuglelijke aanhangwagens met kartonnen versiersels en als een hoop koeienstront verklede boerinnen dat principe compenseren) zullen lachen om de door mij gegeven samenvatting, maar hem ironisch genoeg ook beamen. Waarom willen jullie in vredesnaam aan elkaar zitten onder het genot van de melodieuze klanken geproduceerd door blaasvereniging ’De Bloazende Anuspoapers uit Flopzedonk’ terwijl jullie allemaal nog meer naar een combinatie van zweet, kots en drank ruiken dan het gemiddelde veertienjarige meisjes tijdens haar ontmaagding? Ik snap het gewoon niet.

Ik ben een voorstander van idioot gedrag in positieve zin. Een behoorlijke alcoholische versnapering en dan gewoon lekker een beetje gekkig doen. Echt absoluut niks mis mee. Maar de manier waarop het gebeurt tijdens carnaval… Dat slaat in mijn ogen echt alles. Als er al een god zou zijn, dan is die jaren geleden bij het zien van carnaval Eersteklas met een zelfgemaakte hogesnelheidsstrein naar een ander sterrenstelsel gereden. Een sterrenstelsel waar mensen gewoon nog naakt rondrennen en vrouwen zichzelf nog gewoon bevredigen met een schuin gevijlde zwerfsteen.

Ik hoop dat ik zo duidelijk heb gemaakt dat carnaval het voor mij niet is.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have Comments (3)

Rijentalent

Ik heb een talent. Meestal zien mensen een talent als iets positiefs en meestal is een talent ook iets positiefs. In mijn geval is dat het niet.

Ik heb het talent verkeerde rijen uit te kiezen. Rijen is een wat breed begrip, dus ik zal het verder toelichten. Mijn talent slaat eigenlijk op een nogal beperkte definitie van het woord rijen. Het gaat om mensen die achter elkaar staan opgesteld in een supermarkt, hopend op een snelle en fatsoenlijke afrekening met een spuuglelijk meisje achter de kassa. In Nederland wordt bij kinderen een haat voor rijen met de paplepel naar binnen gekletterd, waardoor spanningen in rijen tegenwoordig tot grote hoogten op kunnen lopen. Nederlandse mensen, en dan bedoel ik van die blanke Nederlanders, niet die Nieuwe Nederlanders zoals we alle niet uit Nederland afkomstige mensen tegenwoordig moeten noemen (die doen het over het algemeen rustig aan, te rustig zeg maar), haten wachten. Nederlandse mensen haten wachten uit de grond van hun hart. Als ze moeten wachten verspillen ze hun tijd, tijd die ze ook hadden kunnen besteden aan het inpakken van de boodschappen of het lopen naar de auto of het gesprek met de vorige maand in het ziekenhuis opgenomen vage kennis waarmee het eigenlijk best wel weer goed gaat. Ik geef eerlijk toe dat ik het ook niet altijd even leuk vind om te wachten. Wachten zoals wachten op een vertraagde trein terwijl er vocht uit je neus druipt zonder dat je het door hebt omdat het buiten min vijftien graden is, bijvoorbeeld. Wachten is in principe niet iets positiefs.

Daarom is mijn talent zo vervelend. Ik kies namelijk in openbare gelegenheden, vooral in supermarkten, altijd de verkeerde rij. De rij waarvan je denkt: “Kijk! Drie mensen, lekker!”. De rij die er in eerste instantie uitziet als de meest voordelige rij, de rij waarvan je denkt dat je er hoogstens twee minuten in zal staan. De rij waarin je eigenlijk niet stil staat, maar waarin je stapje voor stapje in beweging blijft en zo steeds dichter bij het pokdalige gezicht van Jolanda achter de kassa komt. Uiteindelijk blijkt de rij die ik uit kies meer dan vaak niet zo uit te pakken. Uiteindelijk krijg ik het altijd weer voor elkaar in de rij te staan waarin de man voor me besluit toch maar wel dat Mona toetje te nemen en daarom dus nog snel even de winkel ingaat om vervolgens niet meer terug te komen. Of die vrouw die twee mensen verder staat waarvan het schattige kindje van anderhalf dat ze bij zich heeft besluit zichzelf volledig onder te kotsen. Of die oudere vrouw die is vergeten dat 1 en 2 centjes niet meer worden geaccepteerd, maar desondanks gepast staat af te rekenen met al het kleingeld in haar portemonnee dat ze niet aan haar kleinkinderen heeft kunnen geven omdat die haar nooit bezoeken. Of dat jongetje die boodschappen moest halen voor zijn moeder en daarbij in plaats van het huismerk de ‘echte’ merken heeft aangehouden en nu dus te weinig contant geld bij zich heeft en het tekort aan geld probeert te compenseren met een dramatische huilbui.  Of die vrouw die bij de kassa beseft dat haar net afgerekende kropsla toch iets bruiner is dan ze in de felle tl-verlichting dacht te zien, daardoor een nieuwe kropsla wil en anders haar geld terug, met als gevolg een rode kop bij de cassiere omdat die op haar beurt geen flauw idee heeft hoe ze een gescand artikel herstelt en daardoor Richard van ‘afdeling houdbaar’ semi-telefonisch om hulp gilt. Allemaal van die dingetjes die mij persoonlijk nooit overkomen, maar de mensen in mijn rij wel.

Je kan dat van tevoren ook gewoon niet zien. Ook niet aanvoelen. Ik kan het in ieder geval niet zien of aanvoelen en sta daarom altijd langer dan twee minuten in een rij. Vaak sta ik dan al gauw zo’n vijf minuten in een rij. Vijf minuten die ik ook had kunnen besteden aan het uitschelden van kinderen die om voetbalplaatjes bietsen.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have Comment (1)

Geef dat geld gewoon!

Ondanks dat het op dit moment hevig aan creativiteit ontbreekt in mijn hoofd, moet ik toch even wat kwijt over dat gedoe met de basisbeurs voor studenten. Net als dat hopeloos falende gekloot met de invoering van de OV chipkaart voor studenten treft deze kwestie mij ook persoonlijk. Hoewel, voorlopig treft het me nog niet, maar dat wil ik natuurlijk maar al te graag zo houden.

Het leven als student is niet zwaar. De opmerking dat het tegendeel waar is komt vaak genoeg voorbij, maar moet natuurlijk wel gezien worden als een sterke grap waar je niet meer mee kunt doen dan er even om giechelen, nog een slokje van je bier nemen en vervolgens even stevig doch teder aan je bips krabbelen. Als dat alles niet lukt probeer dan te doen alsof je giechelt zodat de maker van de grap er in ieder geval met een heel klein beetje waardigheid vanaf komt.

Ik heb het niet zwaar. Ik ben een student, dus ik weet waar ik het over heb. Natuurlijk betaal ik me helemaal het apelazerus aan huur, voedsel, reizen, uitgaan en eigenlijk alle dingen die belangrijk zijn in het leven, maar het lijkt me dat ieder levend persoon zich suf betaalt aan alles. Voor leuke dingen betaal je en dat durf ik met een gerust hart een axioma te noemen.

Omdat je als student een studielast hebt en sowieso gewoon tijd nodig hebt om dingen te lezen, te schrijven, te bezoeken en te zeggen, is onze overheid wijs genoeg een handje te helpen. Als uitwonende student krijg je trouw iedere maand een tot tweehonderdzestig eypo oplopend bedrag op je rekeningetje gesodemieterd. Gewoon, om je bij te staan. Wat je met dat geld doet maakt absoluut geen moer uit. Het liefst iets leuks, want anders had de overheid het geld net zo goed in een emmertje koeienpoep kunnen gooien om het geld vervolgens met emmer en al de zee in te mieteren. Ik denk hier ook altijd aan als ik het geld op mijn rekening zie staan en geef het dan ook maar al te graag uit aan een goed concert of een shotje tequila.

Dat geld wat je zomaar krijgt wordt omgezet in een gift als je binnen vier jaar een studie afrondt. Fucking goede regeling, meer kan ik er niet over zeggen. Laten we hier ook gewoon niet meer over zeggen en het lekker zo laten. Ronald Plasterk is het daarin echter niet met mij eens. Hij wil er wel meer over zeggen. Hij heeft er zelfs al wat over gezegd en dat is niet helemaal goed gevallen onder ons, comafeestende studenten. Hij wil van de gift een lening maken. Hij wil ons allemaal opzadelen met een witte puist van een schuld. Niet heel gek dus dat collegezalen deze week worden bezet door mijn soortgenoten. Want waarom, van alle welvarende landen op deze sterfende planeet, zou Nederland niet in ons investeren? Hoogopgeleide jongeren zijn namelijk redelijk essentieel voor een welvarend landje. Kenniseconomie, anyone?

Daarom, lieve Ronald, moet je even niet zo gek doen! Zet die cowboyhoed af en geef ons gewoon geld. Ik garandeer je dat ik er leukere dingen mee doe dan de gemiddelde dakloze neger in Haïti.

Groetjes.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have No Comments