In een grot wonen kan leuk zijn. Het is er altijd fris, koud zelfs. Dat werkt met zomerse temperaturen buiten de grot van rond de dertig graden heerlijk verkoelend. Bijkomend effect is dat je tepels er de hele dag hard zijn, wat in eerste instantie wat nutteloos klinkt, maar stiekem gewoon heel fijn is. Ook zul je in een grot nooit te hoeven kutten om aan water te komen. Kuch drie keer tegen een willekeurige wand en de druppeltjes sijpelen er niet veel later van af. Het water vervolgens opvangen en gebruiksklaar maken (om er bijvoorbeeld een dampende kop thee van te maken) is dan wel weer lastig, maar dat weegt natuurlijk nooit op tegen het gemak waarmee de druppeltjes tot stand komen.
Het mooie van leven in een grot is dat je artistieke creativiteit tot oneindige proporties groeit; je ziet wegens het gebrek aan licht namelijk nooit precies wat je creëert en zo doemen de meest prachtige creaties op in je persoonlijke verbeeldingsveld. Je wilt een mooie vlinder tekenen? Pak een krijtje, zet er drie nonchalante strepen mee op de muur en creëer zo een prachtig wegfladderende Koningenpage mèt paarse befjes op beide vleugels. In een met felle tl-buizen verlichte kamer krijg je dat echt niet voor elkaar.
Helaas heeft leven in een grot, ondanks de harde tepels en paarse vlinders, ook zijn negatieve kanten. Zo is het hebben van sociaal contact met mensen buiten de grot erg veeleisend en lastig. Het kan wel, maar de moeite die er voor moet worden gedaan is gewoon vele malen groter dan normaal. Oriëntatie is daarbij één van de grootste boosdoeners. Je moet constant op zoek gaan naar oriëntatiepunten in de grot om zo ergens te komen. Herkenningspunten zijn er niet, dus leven in een grot is als leven met de ziekte van Korsakov. Je herkent geen vaste patronen en het is dus steeds weer alsof je alles voor het eerst doet. Ik heb geprobeerd de verschillende stalagtieten namen te geven om zo een herkenbare route te creëren, maar het vervelende aan die stalagtieten is dat ze nogal schuchter zijn. Zo hangt stalagtiet Miep het ene moment stoer naar de grond te wijzen, het andere moment is ze nergens te bekennen omdat ze zich zogenaamd schaamt voor die twee hangende druppels aan haar botte punt. En dan kun je weer van vooraf aan beginnen met oriënteren. Lukt het je om je door dat moeizame proces te werken, dan komt nog het communicatieproces. Steeds maar weer uitleggen waarom je zo wit bent en een vreemd amoniakachtig aroma om je heen hebt hangen, voordat je tot je punt kunt komen gaat ook na verloop van tijd gewoon tegenstaan.
Zo is het leven in een grot zwaar. Het is hard werken. Zo nu en dan is het (met mate) genieten, maar vooral een continue overlevingsstrijd. Je bent constant bezig met aanpassen. Het inschatten van situaties en er zo effectief mogelijk mee omgaan. Het moge duidelijk zijn: Ik woon liever niet in een grot.
Mag ik dan nu alstublieft mijn internetverbinding terug?
Nee, dat mag niet. Gewoon, omdat het kan!