Ronald Goeman

De Verplaatste Ronald Goeman

Archive for April, 2010

Naar schoenen staren.

Na dat zoetsappige musical gezanik van vorige week wil ik nu mijn muzikale imago (voor zover die nog iets waard is na dat musical debacle) enigszins herstellen.

Eens in de zoveel tijd komt er muziek voorbij gevlogen waarvan je weet dat het bovengemiddeld goed is. Ik hoor dan een nummer, vind het een lekker nummer, luister het nummer nog eens, luister andere dingen, luister datzelfde nummer een tijd later weer en realiseer me dat het een fucking goed nummer is. In dit geval gaat het om het nummer ‘Odds and Evens’ van de uit Londen afkomstige band The High Wire. Na mijn acceptatie van My Bloody Valentine en het inzicht dat ’shoegaze’ echt volledig mijn ‘ding’ is, kan ik met een gerust hart zeggen dat The High Wire mijn favoriete band van het moment is. Ik begrijp dat de vorige zin vergelijkbaar is met een zin als ‘De besnorde tuinboer deed zijn pot in de Peruaanse heggeschaar met mosterd’, of  ’Drinken van zand in een vieze plant met een autostuur in rechts’. Nogal onduidelijk dus. Om daar verandering in te brengen kan ik zeggen dat ’shoegaze’ een muziekvorm is die het best te beschrijven is als mooie, zweverige en vooral dromerige gitaarmuziek. Een geluidsmuur opgebouwd door meerdere lagen gitaar over elkaar heen, een melodieuze (vrouwen-)stem en een lekkere drummachine op de achtegrond. Het is lastige muziek, maar extreem mooi als je doorhebt hoe je er naar moet luisteren. En dan bedoel ik niet dat je met een roze tutu aan en een ananas in je linkerhand naar de muziek luisteren. Gewoon luisteren naar de muziek en realiseren dat het mooier is dan alles wat je eerder in je leven hebt gehoord. Fuck al die klassieke onzin waarvan je denkt dat het mooi is, shoegaze is mooier. My Bloody Valentine zijn shoegaze goden. Wat Kane voor smerige-, schijt- en vooral baggermuziek is, is My Bloody Valentine voor shoegaze. Ze zijn er de beste in.

En dan die ene band met dat nummer dus. Ik kwam het tegen en werd verliefd. Dit is echt muziek zoals ik muziek wil horen. Ik heb dagenlang op de myspace van het bandje naar vijf nummers van ze geluisterd. Nooit gingen ze vervelen. Na verloop van tijd realiseerde ik dat ik een cd van ze moest hebben. De zoektocht begint dan uiteraard op Bol.com, maar helaas kon ik daar niet hun eerste volwaardige cd aanschaffen. Talloze bezoekjes aan de Fame in Amsterdam en de Sounds in Haarlem hielpen mij ook niet aan een aanschaf. ‘Hoe moeilijk kan het in godsnaam zijn een cdtje te vinden?!’, dacht ik dan ook na verloop van zoeken. Gelukkig kwam daar Londen, het oord waar de vier helden hun muziek maken, opnemen en gewoon fatsoenlijk verkopen. Heerlijk was het om in een redelijk grote multimedia zaak een heel fucking schap vol te zien met het album waar ik zo hartstochtelijk naar smachtte. En dan ook nog eens een stickertje erop met daarop een bedrag van 14 pond. Of dat veel goedkoper is dan hier in euro’s zou ik niet eens weten, maar kom op! Het lijkt in ieder geval lekker goedkoop. Nu ben ik weer thuis. Ik heb het cdtje ondertussen van een aantal stevige luisterbeurten voorzien, met in mijn achterhoofd dat strenge doch rechtvaardige beoordelingsmechanisme dat ik ook gebruik voor het beoordelen van te kleine toiletten, te zachte toiletpapierrollen en volslagen idiote toneelstukken met groene borsten. Ik kan nu dan ook oprecht stellen dat ik het cdtje officieel wil nomineren voor album van het jaar. Officieel voor zover iets in mijn leven dan ook maar een beetje officieel is. Dit is goede muziek.

Deze hele lap tekst is natuurlijk stiekem bedoeld als excuus om hier eindelijk weer eens een muziekje neer te pleuren. Het nummertje ‘Odds and Evens’, zoals je begrijpt. Zie hem overigens niet als de nummer één in mijn onafgemaakte top tien. Die onafgemaakte top tien wil ik graag onafgemaakt houden.

‘Odds and Evens’, dus nu. Luister ernaar. Vind het gerust kut. Maar onthoudt wel dat ik op mijn beurt musicals kut vind.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Persoonlijk and have Comment (1)

Musical

Wat kan ik erover zeggen? Een bezoekje aan een musical. Hoe leg ik dat in godsnaam uit? De door mij hartstochtelijk gehate vorm van theater. Overdreven gekloot op een met vrolijke kleurtjes overladen podium. Vaak gedomineerd door homofiele dansers en hoofdrolspelers. Een orgie van uitbundigheid en over de top vrolijkheid. Misselijkmakende mierzoete liedjes gezongen door geplamuurde vrouwelijke net-niet-zangeressen. Mislukte Idols winnaars die in een geforceerde poging het laatste beetje eer dat ze na één simpel hitje hebben overgehouden proberen te redden. Daar kan ik als alternatieve muziekliefhebber toch werkelijk helemaal niks mee?

Jawel, dus.

Tot mijn grote spijt (ik heb echt geprobeerd niet te lachen en het hele stuk bedenkelijk te kijken) moet ik toegeven dat ik het op z’n minst vermakelijk vond om toeschouwer te zijn van ’s werelds meest zoetsappige musical aller tijden. In een nogal vreemde opwelling besloot ik zaterdagnacht tijdens een avondje noeste arbeid in Helders enige theater dat ik mijn oma mee moest nemen naar een musical. Ik denk dat de twee dronken bezoeksters mij die zaterdagnacht hebben overgehaald na het inleveren van hun jassennummertjes (twee jassen waarvan één met zo’n elastieken schijtlus). “Jahaaaaa, je MOET er echt HEEENNN!! Je werkt hierr toch, kun je dan niet gewoon heengaan, voor gratis?”, gevolgd door “Jim is zooo leukkk! En die vent, die die dikke vrouw speelt, hoe heet die vent eigenlijk? Die is ook goedddddd johhh! JA, je moet gewoon! Ga er gewoon heenn! Je werkt hier toch!”. Hoe kun je zoiets weerstaan? Die twee dertigsters hadden blijkbaar de avond van hun leven gehad en wisten dat op weergaloze wijze over te brengen op een zuurpruim als ik. Een musicalhater in hart en nieren. Alcohol, potverdikkeme!

Voordat ik het wist was het geregeld. Rij vijf, in het midden. Daar mochten we plaats gaan nemen de volgende avond. Rij vijf, wat bij deze musical neerkomt op rij drie, aangezien er een orkestbak voor het podium is geïnstalleerd. Een orkestbak met muzikanten die een tijdje terug een jaren ‘60 cadillac met hun hoofden hebben mogen opvangen. Iets waar je dan stiekem toch weer op hoopt. Zo’n auto, aangestuurd door een golfwagenmotor, die dan besluit geen rekening te houden met het einde van het podium en gewoon vol die orkestbak in duikt. Paniek alom, gillende mensen, bloed en zo. Ik zag het wel gebeuren. Rij vijf dus. In het midden. Bij een musical. Zie je het voor je?

Daar zit je dan. Bij de musical ‘Hairspray’. Een roze combinatie tussen High School Musical en Grease met een vleugje Amerikaans racisme. Het beeld dat ik heb van musicals, zoals in de eerste paragraaf beschreven, dat beeld, werd op alle vlakken bevestigd. Maar ondanks dus die rondhupsende homodansers, zoals je ze op een gemiddelde zaterdagavond op rtl4 ook ziet rond stuiteren terwijl dat dertien-in-een-dozijn-doosje van achttien met haar ogen dicht ‘Im so excited’ in een microfoon staat te brullen (daarbij de microfoon met vier vingers vasthoudend, omdat met het pinkje naar de lampen boven het podium wordt gewezen), vond ik het leuk. Er zat humor in.

Ik wil er verder niet nog meer woorden vuil aan maken. Het was gezellig en ik vond een musical leuk. Vooral dat laatste is in mijn ogen het vermelden hier waard. Want het feit dat ik dat vind, kun je vergelijken met een geblondeerde Limburger in de Tweede Kamer die zegt dat zijn hondje Fatima heet en zijn favoriete vakantiebestemming Turkije is. Het wil overigens niet zeggen dat ik vaker naar een musical ga.

Het was eenmalig leuk.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Persoonlijk and have No Comments

Jassenlusjes

Tijdens het verrichten van betaalde arbeid kom ik regelmatig tot nieuwe inzichten. Met die inzichten doe ik vervolgens nooit echt iets. Het is vaak kennis die handig is voor het te verrichten werk, maar meer ook niet. Een leuke bijkomstigheid.

Eén van de meest recente inzichten heeft te maken met mijn handelingen als ervaren jassen-ophanger. Dan sta je in een garderobe van een schouwburg jassen van mensen aan te nemen die binnen een halfuur gaan genieten van een voorstelling en overvalt zoiets je. En dan gaat het mij niet eens om de belachelijk, overdreven nichterige manier van overgeacteerd gastvrij zijn, waar ik een kei in ben. Een zwerfkei, durf ik wel te stellen. Dat is een net iets grotere kei. En een wat oudere. Hoewel je ongetwijfeld ook kleine zwerfkeien hebt, moet je mij in deze context maar even beschouwen als een enorme zwerfkei. Een enorme, homofiele zwerfkei.

Dat is dus niet waar ik heen wil hier. Dat inzicht was een tijdje terug al door mij opgemerkt. Wat ik mij recenter ineens besefte heeft te maken met lusjes. Lusjes waaraan je jassen kan ophangen, om precies te zijn. Er zijn een heel veel verschillende soorten lusjes. Sommige zijn zelfs het woord lusje onwaardig en kunnen beter ’stalen ketting’ genoemd worden. Vooral gestoffeerde jassen met hoge kraag hebben daar een handje van. Het is voor mij als garderobe-man bij iedere jas weer een verrassing waar ik mee wordt opgezadeld. Stiekem hoop ik telkens op dat eenvoudige lusje, zoals jassenlusjes bedoeld zijn. Gewoon lekker simpel, de lus is namelijk geen onderdeel van de uitstraling van een jas. Je ziet het lusje van afstand niet, dus waarom er in godsnaam een kleurtje of extra naadje aan geven. Dat hoeft gewoon niet. Geef mij maar gewoon die overzichtelijke lus.

Waar ik dan, hopend op die gebruiksvriendelijke lus, vaak op stuit is de elastieke lus. En die zijn me toch een partij kut. Niet alleen rekt het elastieke lusje na iedere ophangbeurt verder uit, wat je op zich al als een zwaarwegend minpunt kunt zien voor een fatsoenlijke lus, ook de stof waarvan de lus is gemaakt is vaak gerafeld. Dit laatste heeft tot gevolg dat het elastieken lusje vaak tegen breken aanzit en ik als nichterig pratende jasophanger met de gebakken peren zit als het elastiekje door mijn toedoen breekt. “Kun je niet ff wat voorzichtiger doen!?” krijg ik dan naar mijn hoofd geslingerd. Nee, daar word ik dan op zo’n moment niet blij van.

Vooral het elastieken lusje is dus vervelend, maar er zijn er nog meer. Zo heb je dus die stalen krengen (die ook erg gevoelig zijn), de veel te krappe lusjes in kinderjasjes (wat is daar de logica van? De jas is klein, dus het lusje dan ook maar? Het is niet zo dat kapstokhaakjes zich in grootte aanpassen aan de jas) en de lusjes die eigenlijk geen lusjes zijn, maar het flapje waarop de maat van de jas en de temperatuur waarop de jas gewassen zou moeten worden mocht je die ingetrokken vlek snot er ooit nog uit willen halen.

Lusjes zijn er om een jas makkelijker op te kunnen hangen en dus vanuit een gemakbevorderende gedachtegang ontstaan. En wat mijn nieuw verkregen inzicht in deze kwestie dan precies is?

Als je in het woord ‘lusje’ van de ‘l’ een ”k’ maakt en van de ’s’ een ‘t’, dan krijg je kutje. Dat heeft de persoon die het concept ooit bedacht heeft maar al te goed geweten!

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Uncategorized and have Comments (3)

Ik ben een idioot.

Ik kan over zoveel dingen gaan zitten typen nu. Dat kan natuurlijk altijd en is een vrij loze constatering, maar ik bedoel er eigenlijk mee te zeggen dat ik wederom erg veel tijd heb laten verstrijken tussen deze creatieve uitbarsting en mijn vorige. Er zijn een heleboel dingen gebeurd, zoals er altijd heel veel dingen zijn gebeurd. Wederom een compleet betekenisloze constatering, maar deze keer bedoel ik te zeggen dat ik verschillende actualiteiten aan kan halen om daar dan een beetje grappig en grof over te filosoferen. Als voorbeeld noem ik dan een zaak zoals die van dat twaalfjarige meisje, hoe heet ze ook alweer, oh ja, Milly. Ik zou dan bijvoorbeeld iets kunnen schrijven als: ‘had ze maar niet zo hard aan die agent moeten zuigen’, maar zelfs ik vind dat behoorlijk smakeloos en zal er verder geen woorden aan wijden. Behalve dat ik het echt heel kut vind wat er is gebeurd. En dat dit soort dingen veel vaker gebeuren en ik me erover verbaas dat juist deze zaak zoveel media aandacht krijgt. En dat ik stille tochten echt één van de meest idiote initiatieven op deze planeet vind. Waarom ik dat vind laat ik aan de verbeelding over. Witte nike-petjes dragende, tweeëntwintig jaar oude, naar hardcore luisterende en cocaïne snuivende jongens die met tranen in hun ogen meedoen aan zo’n tocht, wil ik wel graag even laten helpen bij het verbeelden. Mensen die het zogenaamd zielig vinden voor het begraven-opgegraven-begraven slachtoffer en daarbij zo vaak in hun ogen wrijven dat ze helemaal rood en dik zijn en het dus ook nog eens lijkt alsof ze daadwerkelijk huilen om het verkrachte meisje. Laten we het daar gewoon niet over hebben.

Ik schrijf veel liever over dingen die ik wel leuk vind. Bij de gedachte aan dingen die ik leuk vind schieten er meteen een aantal dingen mij hoofd binnen. Muziek, spelletjes en alcohol zijn daarbij de voornaamste dingen die in mijn hoofd geschoten worden. En met alcohol bedoel ik natuurlijk gezellige shit met vrienden en uitgaan. Dus niet iedere avond elf goedkope blikjes bier naar binnen kletteren en met van die handschoenen zonder vingers voor een Albert Heyn of in een park honden aaien. Laat dat duidelijk zijn.

Ik ga voor deze creatieve opeenstapeling van woorden voor het tweede. Spelletjes. Sinds kort speel ik namelijk weer fanatiek een spelletje op de pc. Een schietspelletje. Het is een heel tof schietspelletje, waar ik heel veel adrenaline van krijg. Ik speel het online en schiet dan allemaal virtuele alter ego’s van medespelers dood. Zij schieten mij ook heel vaak dood, maar na tien seconden word je weer gewoon in het level geflikkerd en mag je wederom een poging doen zoveel mogelijk virtuele Russen dood te schieten. Ik haal daar heel veel genot uit. Het is namelijk zo dat het 2010 is en spelletjes alweer zo’n veertig jaar worden gemaakt. Dat betekent dat er een heleboel mensen in staat zijn bijzondere dingen te doen met de spelletjes die zij in elkaar sleutelen. Moderne spelletjes zien er grafisch echt heerlijk uit (behalve spelletjes op de Wii, dat ding produceert namelijk nauwelijks mooier dan wat er veertig jaar geleden werd geproduceerd en is dus eigenlijk naast felwit gewoon heel kut).

Ik speel al heel lang spelletjes en heb een eigenschap ontwikkeld die er op neer komt dat ik uiteindelijk in een spelletje altijd dingen aan het doen ben die niet de bedoeling zijn. Dingen waarvan de makers waarschijnlijk nooit hebben kunnen bedenken dat iemand achterlijk genoeg zou zijn het te gaan doen. Ik noem ter illustratie een rond zwemmende school visjes in het spel Super Mario 64 dat ik vakkundig het water-omringende zand in joeg. De makers hadden tijdens de ontwikkeling van het spel waarschijnlijk nooit stil gestaan bij het eventuele plezier dat een blond jongetje zou halen uit het achtervolgen van decoratief geplaatste 2D vissen.

Die vreemde drang tot onzinnigheid is in de loop der jaren niet minder geworden en is één van de redenen dat het schietspelletje waar ik eerder over schreef mij zo kan bekoren. Het spel bevat namelijk een eigenschap die bij uitstek geschikt is voor mij om mijn idiote drang tot het belachelijke te botvieren. Alles kan namelijk kapot. Huizen, muurtjes, voertuigen, bomen, stoelen, tafels, noem het maar op en het kan kapot. En dat, lieve lezers, is voor mij als wat een twaalfjarig jongetje is voor een pastoor. Ik kan zo opgewonden raken van een bakstenen muurtje dat in duizenden stukken uit elkaar spat door een goed geplaatste handgranaat. Of een palmboom die door een welgemikte kogel keihard omver lazert. Heerlijk, vind ik dat. Zien dat een vijandige alter ego zich verschuilt op de eerste verdieping van een houten schuurtje en dan vervolgens met totaal overbodig veel geweld dat complete schuurtje aan gort blazen in de hoop dat de tegenstander met gebouw en al kapot gaat en als gevolg daarvan tien seconden vloekend naar zijn beeldscherm mag zitten kijken.

Dingen kapot maken, daar houd ik nou echt van.

Zo heeft het kunnen gebeuren dat ik op deze eerste Paasdag in plaats van brunchen met familieleden, een houten stoeltje met een mes in zesenveertig stukjes heb zitten snijden.

Post to Twitter Tweet This Post

posted by Ronald in Persoonlijk and have Comment (1)