Zo zullen wij, Nederlanders – om met de tenenkrommende woorden van champagnelurker Mart Smeets te spreken – ons de Olympische Winterspelen 2010 altijd herinneren.
En Bob de Jong reedt zijn rondjes rechtsom.
Zo zullen wij, Nederlanders – om met de tenenkrommende woorden van champagnelurker Mart Smeets te spreken – ons de Olympische Winterspelen 2010 altijd herinneren.
En Bob de Jong reedt zijn rondjes rechtsom.
Ik wil proberen uit te leggen hoe idioot grappig mijn laatste bezoek aan de Haarlemse feesttent Patronaat was. Het was alweer een tijdje geleden dat ik voor het laatst lekkend als een incontinente schoonmoeder heb gelachen tijdens het uitgaan, maar die avond overkwam het me weer eens.
De bewuste avond begon als een regenachtige, met bier en een familielid op bezoek. Helemaal vanuit Den Helder overgekomen om met mij bier te drinken en een stevig stonerrock concertje bij te wonen van de Californische rockband Fu Manchu. Fu Manchu is een zomerse band waarvan je alleen nummers kent die zijn gebruikt in het computerspel Tony Hawk’s Pro Skater. Los daarvan wist ik van tevoren in ieder geval werkelijk geen enkel nummer op te noemen, na afloop gold dat trouwens nog steeds. Dat betekent overigens niet dat de band niet boeiend was, want dat waren ze natuurlijk wel. De zanger waggelde als een kreupele zeehond over het podium, de tweede gitarist moest na afloop ongetwijfeld bij een eerste hulpafdeling opgenomen worden wegens kotsmisselijkheid door zijn constant headbangende hoofd en de bassist liep erbij alsof er een bierflesje in zijn kont zat. Een gevuld bierflesje. Ze speelde lekker en hard en het was eigenlijk best een fijn concert. De pitt was ook aardig op dreef, ik meende de nodige valpartijen en bloedneuzen te hebben gespot en dat vind ik gewoon fijn. Rockmuziek is gewoon fijner als je ondertussen mensen elkaar al dan niet bewust pijn ziet doen, net zoals jouw biertje fijner is als de persoon naast je de zijne op de grond kapot laat kletteren en zich ervan bewust is dat hij nog maar één slok had genomen. Jammer was wel dat er geen toegift werd gegeven. Geen toegift is in mijn ogen hetzelfde als iemand in zijn ballen spugen en vervolgens in het gezicht schoppen, niet tof dus. Het hoogtepunt moest echter nog komen.
Na het concert konden we namelijk na een kleine plaspauze overstappen naar een ander zaaltje waar het zogenaande ‘Bombarie’ plaats zou gaan vinden. Het concept daarvan is vrij simpel en heeft nogal de potentie volledig uit de hand te lopen. Het idee van Bombarie is dat iedere incapabele lul het podium op kan met zijn of haar paars gespoten dwarsfluit en er vervolgens muziek mag gaan maken. Of een gedicht voordragen. Of jezelf in het gezicht slaan. Alles is eigenlijk geoorloofd, iedereen is namelijk dronken en het maakt allemaal niet zo heel veel uit. Het leverde die avond dan ook vrij idiote taferelen op. Het programma werd aan elkaar gepraat door een ietwat vadsige circusdirecteur genaamd Arie. Ik heb geen idee wat de werkelijke naam van deze man is, maar ik zou het graag willen weten. Ik wil de man namelijk bij Hare Majesteit de Koningin voordragen voor een lintje. Dronken, scherp en gewoon extreem grappig, zijn termen waarmee ik de man het meeste recht doe. Zoals hij de dronken podiumbestijgers op subtiele manier compleet voor lul wist te zetten is echt pure schoonheid. Ik zou het zo nooit kunnen, niemand zou het zo kunnen. De man is een held.
Ik heb vervolgens nog harder gelachen door het bandje randdebielen met als instrumenten onder andere een elektrische viool en accordeon. Het leek één grote aanfluiting te worden, maar het tegendeel bleek waar. Een negentienjarige gozer begon na een kleine intro op zijn gitaar als een Duitse SS-officier in de microfoon te brullen en ik dacht heel even dat mijn hart het zou gaan begeven door mijn enorme lachuitbarsting, die als het geluid van een schijtende zeekoe geklonken moet hebben. Na deze enerverende band stond er ineens een wat verdwaaste Oostblokker op het podium die in gebrekkig Nederlands het meest gestoorde gedicht voordroeg, althans, ik neem aan dat het een gedicht was. De zeekoe scheet rustig door.
De bellenblaaswedstrijd tussen drie jarige mensen en een dronkon meisje, de zich compleet kapot gesnoven rockers en een enorme leverworst maakten het feest vervolgens op gepaste wijze compleet en het duurde dan ook even voordat de zeekoe kon afknijpen. Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt.
Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt. Ik heb in geen tijden zo hard gelachen en ik zal echt nooit meer leverworst eten. Nooit meer!
Ik zal een poging doen te verwoorden wat carnaval voor mij betekent en waarom ik het zelf nooit zal gaan doen.
Het is hopelijk algemeen bekend dat ik zelf nog nooit carnaval heb gevierd en het ook nooit van mijn leven ga vieren. Dit is overigens geen poging mensen die het wel vieren compleet belachelijk te maken (dat doen jullie immers zelf al
), maar een poging mezelf te etaleren als nuchtere jongen die bij het horen van de term carnaval al kotsmisselijk word en het liefst zo veel alcohol, of ander geheugenverneukende ellende, in zijn lichaam wil gieten/stoppen dat hij bij de eerstvolgende keer dat de term carnaval naar zijn hoofd wordt geslingerd hij denkt en zegt: ,,Sorry, wat?”.
Dat is natuurlijk een beetje overdreven, maar de gedachte lijkt me duidelijk.
Ik vind carnaval kut. Het is een volksfeest waar ze mensen in Brabant en Limburg een jaar lang naartoe leven en waar diezelfde mensen zelfs het hele jaar hun salaris voor opzij schuiven om vervolgens al dat zuurverdiende geld in kartonnen clowns, aanhangwagens en blaasinstrumenten te steken. Het is voor die mensen dan ook een belangrijke gebeurtenis. Dat respecteer ik en vind ik zelfs nog wel oké, hoewel ik echt heel veel moeite heb met het begrijpen ervan. Ik wil het ook niet begrijpen.
In Noord-Holland daarentegen is carnaval iets heel anders. Ik moet mijn eigen geblaat hier dan ook even nuanceren: ik vind carnaval in Noord-Holland en alle andere streken waar carnaval absoluut nul komma nul historische waarde heeft kut. Er wordt in die omgevingen namelijk een sport van Olympische proporties van gemaakt. De gedachte achter carnaval daar valt samen te vatten met de woorden ‘zet jezelf zo verschrikkelijk hard voor lul, zorg dat iedereen ziet dat je een poging doet jezelf harder voor lul te zetten dan de mensen die zichzelf ook zo hard mogelijk voor lul proberen te zetten, speel hierbij vals door zoveel mogelijk bier te drinken en beloon jezelf door met meer dan vijf mensen te zoenen en met minstens twee mensen in een openbaar toilet, achter een ondergespoten schuurtje of in een met sneeuw bedekte, uitgebloeide struik een stinkende partij neuk af te werken’. De mensen die carnaval vieren (buiten Brabant en Limburg natuurlijk, hoewel binnen Brabant en Limburg waarschijnlijk precies hetzelfde principe geldt maar waar die spuuglelijke aanhangwagens met kartonnen versiersels en als een hoop koeienstront verklede boerinnen dat principe compenseren) zullen lachen om de door mij gegeven samenvatting, maar hem ironisch genoeg ook beamen. Waarom willen jullie in vredesnaam aan elkaar zitten onder het genot van de melodieuze klanken geproduceerd door blaasvereniging ’De Bloazende Anuspoapers uit Flopzedonk’ terwijl jullie allemaal nog meer naar een combinatie van zweet, kots en drank ruiken dan het gemiddelde veertienjarige meisjes tijdens haar ontmaagding? Ik snap het gewoon niet.
Ik ben een voorstander van idioot gedrag in positieve zin. Een behoorlijke alcoholische versnapering en dan gewoon lekker een beetje gekkig doen. Echt absoluut niks mis mee. Maar de manier waarop het gebeurt tijdens carnaval… Dat slaat in mijn ogen echt alles. Als er al een god zou zijn, dan is die jaren geleden bij het zien van carnaval Eersteklas met een zelfgemaakte hogesnelheidsstrein naar een ander sterrenstelsel gereden. Een sterrenstelsel waar mensen gewoon nog naakt rondrennen en vrouwen zichzelf nog gewoon bevredigen met een schuin gevijlde zwerfsteen.
Ik hoop dat ik zo duidelijk heb gemaakt dat carnaval het voor mij niet is.
Ik heb een talent. Meestal zien mensen een talent als iets positiefs en meestal is een talent ook iets positiefs. In mijn geval is dat het niet.
Ik heb het talent verkeerde rijen uit te kiezen. Rijen is een wat breed begrip, dus ik zal het verder toelichten. Mijn talent slaat eigenlijk op een nogal beperkte definitie van het woord rijen. Het gaat om mensen die achter elkaar staan opgesteld in een supermarkt, hopend op een snelle en fatsoenlijke afrekening met een spuuglelijk meisje achter de kassa. In Nederland wordt bij kinderen een haat voor rijen met de paplepel naar binnen gekletterd, waardoor spanningen in rijen tegenwoordig tot grote hoogten op kunnen lopen. Nederlandse mensen, en dan bedoel ik van die blanke Nederlanders, niet die Nieuwe Nederlanders zoals we alle niet uit Nederland afkomstige mensen tegenwoordig moeten noemen (die doen het over het algemeen rustig aan, te rustig zeg maar), haten wachten. Nederlandse mensen haten wachten uit de grond van hun hart. Als ze moeten wachten verspillen ze hun tijd, tijd die ze ook hadden kunnen besteden aan het inpakken van de boodschappen of het lopen naar de auto of het gesprek met de vorige maand in het ziekenhuis opgenomen vage kennis waarmee het eigenlijk best wel weer goed gaat. Ik geef eerlijk toe dat ik het ook niet altijd even leuk vind om te wachten. Wachten zoals wachten op een vertraagde trein terwijl er vocht uit je neus druipt zonder dat je het door hebt omdat het buiten min vijftien graden is, bijvoorbeeld. Wachten is in principe niet iets positiefs.
Daarom is mijn talent zo vervelend. Ik kies namelijk in openbare gelegenheden, vooral in supermarkten, altijd de verkeerde rij. De rij waarvan je denkt: “Kijk! Drie mensen, lekker!”. De rij die er in eerste instantie uitziet als de meest voordelige rij, de rij waarvan je denkt dat je er hoogstens twee minuten in zal staan. De rij waarin je eigenlijk niet stil staat, maar waarin je stapje voor stapje in beweging blijft en zo steeds dichter bij het pokdalige gezicht van Jolanda achter de kassa komt. Uiteindelijk blijkt de rij die ik uit kies meer dan vaak niet zo uit te pakken. Uiteindelijk krijg ik het altijd weer voor elkaar in de rij te staan waarin de man voor me besluit toch maar wel dat Mona toetje te nemen en daarom dus nog snel even de winkel ingaat om vervolgens niet meer terug te komen. Of die vrouw die twee mensen verder staat waarvan het schattige kindje van anderhalf dat ze bij zich heeft besluit zichzelf volledig onder te kotsen. Of die oudere vrouw die is vergeten dat 1 en 2 centjes niet meer worden geaccepteerd, maar desondanks gepast staat af te rekenen met al het kleingeld in haar portemonnee dat ze niet aan haar kleinkinderen heeft kunnen geven omdat die haar nooit bezoeken. Of dat jongetje die boodschappen moest halen voor zijn moeder en daarbij in plaats van het huismerk de ‘echte’ merken heeft aangehouden en nu dus te weinig contant geld bij zich heeft en het tekort aan geld probeert te compenseren met een dramatische huilbui. Of die vrouw die bij de kassa beseft dat haar net afgerekende kropsla toch iets bruiner is dan ze in de felle tl-verlichting dacht te zien, daardoor een nieuwe kropsla wil en anders haar geld terug, met als gevolg een rode kop bij de cassiere omdat die op haar beurt geen flauw idee heeft hoe ze een gescand artikel herstelt en daardoor Richard van ‘afdeling houdbaar’ semi-telefonisch om hulp gilt. Allemaal van die dingetjes die mij persoonlijk nooit overkomen, maar de mensen in mijn rij wel.
Je kan dat van tevoren ook gewoon niet zien. Ook niet aanvoelen. Ik kan het in ieder geval niet zien of aanvoelen en sta daarom altijd langer dan twee minuten in een rij. Vaak sta ik dan al gauw zo’n vijf minuten in een rij. Vijf minuten die ik ook had kunnen besteden aan het uitschelden van kinderen die om voetbalplaatjes bietsen.
Ondanks dat het op dit moment hevig aan creativiteit ontbreekt in mijn hoofd, moet ik toch even wat kwijt over dat gedoe met de basisbeurs voor studenten. Net als dat hopeloos falende gekloot met de invoering van de OV chipkaart voor studenten treft deze kwestie mij ook persoonlijk. Hoewel, voorlopig treft het me nog niet, maar dat wil ik natuurlijk maar al te graag zo houden.
Het leven als student is niet zwaar. De opmerking dat het tegendeel waar is komt vaak genoeg voorbij, maar moet natuurlijk wel gezien worden als een sterke grap waar je niet meer mee kunt doen dan er even om giechelen, nog een slokje van je bier nemen en vervolgens even stevig doch teder aan je bips krabbelen. Als dat alles niet lukt probeer dan te doen alsof je giechelt zodat de maker van de grap er in ieder geval met een heel klein beetje waardigheid vanaf komt.
Ik heb het niet zwaar. Ik ben een student, dus ik weet waar ik het over heb. Natuurlijk betaal ik me helemaal het apelazerus aan huur, voedsel, reizen, uitgaan en eigenlijk alle dingen die belangrijk zijn in het leven, maar het lijkt me dat ieder levend persoon zich suf betaalt aan alles. Voor leuke dingen betaal je en dat durf ik met een gerust hart een axioma te noemen.
Omdat je als student een studielast hebt en sowieso gewoon tijd nodig hebt om dingen te lezen, te schrijven, te bezoeken en te zeggen, is onze overheid wijs genoeg een handje te helpen. Als uitwonende student krijg je trouw iedere maand een tot tweehonderdzestig eypo oplopend bedrag op je rekeningetje gesodemieterd. Gewoon, om je bij te staan. Wat je met dat geld doet maakt absoluut geen moer uit. Het liefst iets leuks, want anders had de overheid het geld net zo goed in een emmertje koeienpoep kunnen gooien om het geld vervolgens met emmer en al de zee in te mieteren. Ik denk hier ook altijd aan als ik het geld op mijn rekening zie staan en geef het dan ook maar al te graag uit aan een goed concert of een shotje tequila.
Dat geld wat je zomaar krijgt wordt omgezet in een gift als je binnen vier jaar een studie afrondt. Fucking goede regeling, meer kan ik er niet over zeggen. Laten we hier ook gewoon niet meer over zeggen en het lekker zo laten. Ronald Plasterk is het daarin echter niet met mij eens. Hij wil er wel meer over zeggen. Hij heeft er zelfs al wat over gezegd en dat is niet helemaal goed gevallen onder ons, comafeestende studenten. Hij wil van de gift een lening maken. Hij wil ons allemaal opzadelen met een witte puist van een schuld. Niet heel gek dus dat collegezalen deze week worden bezet door mijn soortgenoten. Want waarom, van alle welvarende landen op deze sterfende planeet, zou Nederland niet in ons investeren? Hoogopgeleide jongeren zijn namelijk redelijk essentieel voor een welvarend landje. Kenniseconomie, anyone?
Daarom, lieve Ronald, moet je even niet zo gek doen! Zet die cowboyhoed af en geef ons gewoon geld. Ik garandeer je dat ik er leukere dingen mee doe dan de gemiddelde dakloze neger in Haïti.
Groetjes.