Hou dit nog even vast! Binnenkort ben ik terug!

In een grot wonen kan leuk zijn. Het is er altijd fris, koud zelfs. Dat werkt met zomerse temperaturen buiten de grot van rond de dertig graden heerlijk verkoelend. Bijkomend effect is dat je tepels er de hele dag hard zijn, wat in eerste instantie wat nutteloos klinkt, maar stiekem gewoon heel fijn is. Ook zul je in een grot nooit te hoeven kutten om aan water te komen. Kuch drie keer tegen een willekeurige wand en de druppeltjes sijpelen er niet veel later van af. Het water vervolgens opvangen en gebruiksklaar maken (om er bijvoorbeeld een dampende kop thee van te maken) is dan wel weer lastig, maar dat weegt natuurlijk nooit op tegen het gemak waarmee de druppeltjes tot stand komen.
Het mooie van leven in een grot is dat je artistieke creativiteit tot oneindige proporties groeit; je ziet wegens het gebrek aan licht namelijk nooit precies wat je creëert en zo doemen de meest prachtige creaties op in je persoonlijke verbeeldingsveld. Je wilt een mooie vlinder tekenen? Pak een krijtje, zet er drie nonchalante strepen mee op de muur en creëer zo een prachtig wegfladderende Koningenpage mèt paarse befjes op beide vleugels. In een met felle tl-buizen verlichte kamer krijg je dat echt niet voor elkaar.
Helaas heeft leven in een grot, ondanks de harde tepels en paarse vlinders, ook zijn negatieve kanten. Zo is het hebben van sociaal contact met mensen buiten de grot erg veeleisend en lastig. Het kan wel, maar de moeite die er voor moet worden gedaan is gewoon vele malen groter dan normaal. Oriëntatie is daarbij één van de grootste boosdoeners. Je moet constant op zoek gaan naar oriëntatiepunten in de grot om zo ergens te komen. Herkenningspunten zijn er niet, dus leven in een grot is als leven met de ziekte van Korsakov. Je herkent geen vaste patronen en het is dus steeds weer alsof je alles voor het eerst doet. Ik heb geprobeerd de verschillende stalagtieten namen te geven om zo een herkenbare route te creëren, maar het vervelende aan die stalagtieten is dat ze nogal schuchter zijn. Zo hangt stalagtiet Miep het ene moment stoer naar de grond te wijzen, het andere moment is ze nergens te bekennen omdat ze zich zogenaamd schaamt voor die twee hangende druppels aan haar botte punt. En dan kun je weer van vooraf aan beginnen met oriënteren. Lukt het je om je door dat moeizame proces te werken, dan komt nog het communicatieproces. Steeds maar weer uitleggen waarom je zo wit bent en een vreemd amoniakachtig aroma om je heen hebt hangen, voordat je tot je punt kunt komen gaat ook na verloop van tijd gewoon tegenstaan.
Zo is het leven in een grot zwaar. Het is hard werken. Zo nu en dan is het (met mate) genieten, maar vooral een continue overlevingsstrijd. Je bent constant bezig met aanpassen. Het inschatten van situaties en er zo effectief mogelijk mee omgaan. Het moge duidelijk zijn: Ik woon liever niet in een grot.
Mag ik dan nu alstublieft mijn internetverbinding terug?
Ik leef al een aantal weken in een grot. Over wat ik in die grot allemaal meemaak zal ik binnenkort helemaal losgaan hier. Voorlopig betekent het dat er echt bar weinig materiaal verschijnt op deze site, dit in tegenstelling tot de vele muurschilderingen in mijn grot. Ondanks de druipende duisternis van mijn grot heb ik wel gewoon teksten geschreven voor mijn opleiding. Die pleur ik hier dan ook schaamteloos neer, zodat het toch nog een beetje lijkt alsof ik besta.
Hier wederom een recensie van mijn hand. Een recensie over een film. Een kutfilm, zoals zal blijken uit de tekst. Veel plezier. En blijf vooral langskomen.
Sfeervolle verhaalloosheid
Onverharde wegen, rondrennende kinderen en schreeuwende mannen. Het zijn typische taferelen die kenmerkend zijn voor kleine Italiaanse dorpjes. Italianen ogen in hun dagelijks doen en laten nogal chaotisch. Een beeld dat Giuseppe Tornatore treffend in beeld brengt met zijn miljoenenproductie ‘Baarìa’. Zo treffend zelfs, dat het verhaal in dezelfde film er behoorlijk onder lijdt. Prachtige beelden van nog prachtiger landschap, mooie muziek en zeer puike acteerprestaties brengen daar helaas geen verandering in.
Het verhaal, voor zover daar sprake van is in de film, begint en eindigt in het kleine dorpje Bagheria op het Italiaanse eiland Sicilië. In de film worden drie generaties van de familie Torrenuova gevolgd. Een onder armoede gebukt gaande Italiaanse familie, waar verder niet zo heel veel mee aan de hand is. Dat is dan ook meteen het grootste minpunt aan de film Baarìa: Een doodgewone familie wordt in beeld gebracht zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurt. De film krijgt zo al gauw het karakter van een veredelde documentaire over hoe het leven er aan toe gaat in een pittoresk, Italiaans dorpje.
Het is begrijpelijk dat auteur en regisseur Giuseppe Tornatore het dorpje Bagheria (uitgesproken en geschreven als Baarìa in lokaal dialect) zo mooi mogelijk wil neerzetten, aangezien hij er geboren en getogen is. Het is hem dan ook ontzettend goed gelukt zijn dorpje mooi neer te zetten. De decors in de film zijn prachtig en stralen authenticiteit uit. Vooral het bruine filter dat op de beelden is aangebracht draagt daar aan bij. De geur van olijfolie en verse pasta zijn haast ruikbaar bij de beelden van het Italiaanse stadje zoals dat er zo’n zestig jaar geleden bij moet hebben gelegen. Het is een genot om een jonge Peppino Torrenuova midden op straat een koe te zien melken, terwijl om hem heen moeders de was staan op te hangen zoals alleen Italiaanse nonna’s dat kunnen. Het zijn beelden die in een documentaire over de stad Bagheria niet zouden misstaan.
Baarìa is echter geen documentaire. Baarìa is een film waarin een het leven van één familie centraal staat. Belangrijkste persoon daarbij is Peppino Torrenuova, grotendeels gespeeld door rijzende Italiaanse ster Francesco Scianna. Te zien is hoe Peppino zorgeloos opgroeit in een dan nog ouderwets en kleinschalig Bagheria. Hij rent als jongetje over de straten, steelt met vriendjes vruchten, melkt een koe en speelt met zijn tol. Deze alledaagse zaken worden in beeld gebracht en lijken verder geen enkel doel te hebben buiten het creëren van sfeer. Als iets later in de film Peppino wat ouder is, valt (vluchtig) te zien hoe hij zijn grote liefde ontmoet, hoe hij bekeert tot het communisme en hoe hij een politieke carrière ambieert. Wederom alledaagse zaken die de film doen voortkabbelen als een heuse documentaire. De film hangt samen van gebeurtenissen die wellicht aantonen hoe het leven door de jaren heen verandert, maar die verder niet tot spannende momenten leiden.
De film wekt, ondanks zijn 163 minuten, een ietwat gehaaste indruk. En dat is bijzonder te noemen. Het lijkt alsof Giuseppe Tornatore de hele wereld wil laten zien hoe mooi zijn geboorteplaats is en zich daarbij flink vergaloppeerd. Het idee om aan de hand van één familie in beeld te brengen hoe het dorpje Bagheria uitgroeit tot een heuse stad, is erg ambitieus en slim. De uitwerking van het idee is echter minder slim. Tornatore probeert zoveel mogelijk te laten zien van het dorpje, zonder daarbij de familie Torrenuova naar de achtergrond te schuiven. Het resultaat bestaat uit veel gehaaste shots van gehaaste gebeurtenissen die als los zand bij elkaar lijken te hangen. Het ene moment loopt het gehele dorp in een optocht door de straten van Bagheria, het andere moment staat Peppino met een grote groep communisten arbeid te verrichten op de velden naast het dorpje. Dan is weer te zien hoe zijn dochtertje in een klaslokaal vertelt dat haar vader werkloos is. Het zijn allemaal onduidelijke overgangen die typerend zijn voor de verhaalloosheid van de film.
Die verhaalloosheid in de film heeft tot gevolg dat de zeer puike acteerprestaties nogal wegvallen. Italiaans ex-model en lust voor het oog Margareth Madé zet bijvoorbeeld de vrouw van Peppino voortreffelijk neer. Het temperament waarmee veel Italiaanse vrouwen gezegend zijn spat door haar opgefokte acteerwerk bijkans van het scherm af. Wederom een bijdrage aan het creëren van veel sfeer, maar verder niks toevoegend aan het verhaal. Ze is boos op Peppino, maar wat maakt het eigenlijk uit?
Hetzelfde geldt voor de stervende vader van Peppino, gespeeld door Gaetano Aronica. Hij ligt op zijn sterfbed en vraagt naar Peppino, Peppino komt iets later de kamer binnen en de vader sterft. Het zou een aangrijpende scène kunnen zijn als er sprake is van een sterk verhaal. Een verhaal waarin een emotionele band wordt ontwikkeld met verschillende familieleden, zodat het de kijker daadwerkelijk raakt als er iets dramatisch gebeurt met één van de familieleden. In deze film is dat niet het geval, omdat er te gehaast door gebeurtenissen heen wordt gejaagd. Steeds als een emotioneel moment lijkt aan te breken, wordt dit direct afgekapt door een misplaatste grap. Een grap in de vorm van een de gehele film terugkerende man die dollars verkoopt. Of erger nog: Een complete familie die uit het niets aan de stervende vader Torrenuova vraagt of hij de groeten wil doen aan allerlei eerder gestorven bekenden. Zo wordt ieder greintje emotie zorgvuldig de nek omgedraaid en is er nooit sprake van enige emotionele binding met de personages.
Het is Giuseppe Tornatore uitermate goed gelukt zijn geliefde geboorteplaats neer te zetten als pittoresk, Italiaans dorpje. Het is de acteurs goed gelukt dat beeld alleen maar te versterken en de muziek daarbij is van hoog niveau. Het ontbreekt de film echter aan een goed uitgewerkt verhaal, waardoor de 163 minuten die het kost om de film te zien aanvoelen als een oneindigheid.
Laat ik het maar gewoon meteen zeggen: Er is een probleem.
Het begon allemaal heel onschuldig. Hoewel onschuldig misschien niet het juiste woord is. Het was vanaf het begin al gewoon erg vervelend. Het feit dat er toen nog niet veel hinder van ondervonden werd maakt het allemaal wat onschuldiger, maar er was wel degelijk sprake van een probleem. Constatering van zulk soort problemen is vaak een eerste stap in een slopende reeks van vervelende gebeurtenissen. Het probleem waar over gesproken wordt kan zo enorm worden opgeblazen met als gevolg dat het probleem enorm uit de hand loopt. En zo heeft het dus kunnen gebeuren dat er nu sprake is van een uit de hand gelopen probleem.
Er was een periode dat in huize Goeman alle bezittingen daadwerkelijk enkel en alleen in bezit waren van personen met de naam Goeman. Zoals het idealiter hoort. Dat ging zo ook een tijdje goed, maar er zijn altijd gasten van buiten die weleens gebruik maken van diezelfde bezittingen. Dat maakt niet uit en gaat vaak onder goed contact en met toestemming. Het houdt je scherp en je krijgt er vaak nog wat voor terug ook. Zo worden beide partijen er beter van en is er dus in principe niks aan de hand.
Het kan echter ook gebeuren dat er gebruik gemaakt wordt van de bezittingen zonder dat daar toestemming voor is gevraagd en, erger nog, zonder dat daar een tegenprestatie voor wordt geleverd. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.
Het gevolg is dat er een enorme tegenstelling ontstaat tussen twee partijen. Zo raken de eigenaren van huize Goeman gefrustreerd en kwaad, wat weer resulteert in een afname in de leefbaarheid voor de ongewenste gasten.
Die tegenstellingen zijn nu zelfs op een punt dat er vanaf de Goemankant gesproken wordt over een heuse ‘vermuizivering’ van huize Goeman en dat er met drastischer maatregelen wordt opgetreden. Betrapt een Goeman je alleen al op aanwezigheid, dan is het over. Dan word je zonder pardon het huis uitgezet, als je de onderschepping al overleefd. Het logische gevolg vanaf de muizenkant is dat zij zich hiervan bewust worden en zich verenigen in deze strijd tegen de gemene, onredelijke Goeman.
Zo heeft het conflict ondertussen flink kunnen escaleren en lijkt er voorlopig geen einde aan te komen. Met een Goeman die zich steeds radicaler opstelt om van die zogenaamde ‘criminele muizen’ af te komen en daarin steeds verder gaat in zijn vaak onproportioneel provocerende uitspraken en daden, en met een groepering muizen die zich steeds meer gaat afzetten tegen deze harde hand, nemen de spanningen alleen maar toe. Het huis lijdt er flink onder en de onderlinge omgang met elkaar wordt er ook niet gezelliger op.
En dat is dus het probleem.
Het duurde bijna twee uur, maar het was het meer dan waard. Dat ene beeld dat er heerst, dat van meisjes die uren voor spiegels staan om zichzelf onherkenbaar knap te maken zodat ze vervolgens charmant doch dorstig longdrink glazen zoete witte naar binnen kunnen kletteren tijdens een gemiddeld stapavondje, dat beeld klopt dus. In dit geval in ieder geval wel. Het zou een bijzondere avond worden, dus kosten noch eyeliner werden gespaard om zo’n aantrekkelijk mogelijke versie te maken van haar (toch al niet geheel onaantrekkelijke) gezicht. Niks zou aan het toeval overgelaten worden. Deze avond moest en zou geweldig worden. Hoe vaak komt het nou voor dat je dansend en lachend ’s nachts in een sloep door de grachten van Amsterdam vaart?
Na haar nek en pols te hebben onder gespoten met een overdosis Chanel eau de Parfum nummertje vijf werd besloten dat de tijd rijp was om van huis te gaan. Met de taxi op weg naar hartje Amsterdam om daar met haar twee vriendinnen de rest van de groep te ontmoeten. Ze hadden er allemaal enorm veel zin in en het taxiritje kon ze niet snel genoeg gaan. De combinatie van verschillende fijne geurtjes ontging ook zeker de chauffeur niet en hij deed dan ook zijn uiterste best zo goed mogelijk over te komen als bordenwasser. Linker arm uit het raam en met rechts aan het stuur draaien alsof het een delfts blauw antieken maaltijdbord betrof. Schoner zou het denkbeeldige bord nooit worden, dat stond vast. Aangekomen op de bestemming werd de dames in een heuse poging tot het maken van nog meer indruk door de taxichauffeur een fikse korting aangeboden. De enthousiaste meiden waardeerden het, maar wisten niet hoe snel ze zich naar de aangemeerde sloep moesten begeven. Hun vrienden stonden al klaar en de muziek al te hard. Wat een avond zou het worden!
Een klein half uurtje later waren ze onderweg en vloeiden de met alcohol doorspekte drankjes rijkelijk. De angst dat er op een varende sloep niet gedanst kon worden bleek al gauw ongegrond en ondanks het klotsen van golven werd er vrij stabiel gedanst. Dat leek na de nodige glazen prosecco alleen maar beter te gaan. Met een mannetje of twaalf vaarden ze door de grachten van Amsterdam. Nu al de beste avond van haar leven, zo leek het. Ook haar vriendinnen beaamden dit. Zo maak je avonden niet vaak mee. Eerdere Koninginnennachten waren leuk, maar deze leek nu al vele malen leuker. Het was ook zo druk op de straten waar ze langs vaarden. Overal was wel iets te doen, zoals dat gaat in nachten voor Koninginnedag. De feestvierende mensen op de kaden konden dan ook niet om het feestvierende groepje in de sloep heen. Ze straalden plezier uit. Oprechte blijheid.
Het weer was tot dan toe ook prima geweest. Licht bewolkt met een gemiddelde temperatuur van rond de tien graden. Niet extreem warm, maar voor deze tijd van het jaar in Nederland prima. Waren de uitgaansavonden maar vaker zo leuk als nu, heeft ze op dat moment gedacht. Totdat de sloep het bewuste bruggetje bij het Koningsplein bereikte. Het tot dan toe zo geslaagde avondje onderging helaas een ietwat onverwachte wending.
Tijdens een vrij complimenteus gesprek met één van de jongens die ook aan boord stond te feesten, bereikte de sloep wederom een bruggetje dat moest worden gepasseerd. Ze passeerden er wel meer en het viel haar eigenlijk niet eens op dat het weer eventjes donker was. Aan het einde van de brug werd haar aandacht echter afgeleid van de aantrekkelijke jongen waaraan ze net vertelde dat ze haar Uggs vorige week per ongeluk in een regenbui had gedragen en ze nu dus net zo goed weg kon gooien. Ze voelde namelijk druppels op haar hoofd en schouders terecht komen. Behoorlijk dikke druppels en op een vreemde manier nogal warme. “Hè bah, is het toch gaan regenen!’ was begrijpelijkerwijs het eerste dat in haar naar boven kwam. Maar het regende helemaal niet. Een blik omhoog bezorgde haar vervolgens dan ook een ijzingwekkend gevoel, een gevoel waar zelfs de warmte van de neerkletterende druppels haar niet tegen kon beschermen.
Een zijn geslachtsdeel met twee handen vasthoudende, zeer geschokte jongeman keek haar vanaf het bruggetje recht in haar ogen aan.
Na dat zoetsappige musical gezanik van vorige week wil ik nu mijn muzikale imago (voor zover die nog iets waard is na dat musical debacle) enigszins herstellen.
Eens in de zoveel tijd komt er muziek voorbij gevlogen waarvan je weet dat het bovengemiddeld goed is. Ik hoor dan een nummer, vind het een lekker nummer, luister het nummer nog eens, luister andere dingen, luister datzelfde nummer een tijd later weer en realiseer me dat het een fucking goed nummer is. In dit geval gaat het om het nummer ‘Odds and Evens’ van de uit Londen afkomstige band The High Wire. Na mijn acceptatie van My Bloody Valentine en het inzicht dat ’shoegaze’ echt volledig mijn ‘ding’ is, kan ik met een gerust hart zeggen dat The High Wire mijn favoriete band van het moment is. Ik begrijp dat de vorige zin vergelijkbaar is met een zin als ‘De besnorde tuinboer deed zijn pot in de Peruaanse heggeschaar met mosterd’, of ’Drinken van zand in een vieze plant met een autostuur in rechts’. Nogal onduidelijk dus. Om daar verandering in te brengen kan ik zeggen dat ’shoegaze’ een muziekvorm is die het best te beschrijven is als mooie, zweverige en vooral dromerige gitaarmuziek. Een geluidsmuur opgebouwd door meerdere lagen gitaar over elkaar heen, een melodieuze (vrouwen-)stem en een lekkere drummachine op de achtegrond. Het is lastige muziek, maar extreem mooi als je doorhebt hoe je er naar moet luisteren. En dan bedoel ik niet dat je met een roze tutu aan en een ananas in je linkerhand naar de muziek luisteren. Gewoon luisteren naar de muziek en realiseren dat het mooier is dan alles wat je eerder in je leven hebt gehoord. Fuck al die klassieke onzin waarvan je denkt dat het mooi is, shoegaze is mooier. My Bloody Valentine zijn shoegaze goden. Wat Kane voor smerige-, schijt- en vooral baggermuziek is, is My Bloody Valentine voor shoegaze. Ze zijn er de beste in.
En dan die ene band met dat nummer dus. Ik kwam het tegen en werd verliefd. Dit is echt muziek zoals ik muziek wil horen. Ik heb dagenlang op de myspace van het bandje naar vijf nummers van ze geluisterd. Nooit gingen ze vervelen. Na verloop van tijd realiseerde ik dat ik een cd van ze moest hebben. De zoektocht begint dan uiteraard op Bol.com, maar helaas kon ik daar niet hun eerste volwaardige cd aanschaffen. Talloze bezoekjes aan de Fame in Amsterdam en de Sounds in Haarlem hielpen mij ook niet aan een aanschaf. ‘Hoe moeilijk kan het in godsnaam zijn een cdtje te vinden?!’, dacht ik dan ook na verloop van zoeken. Gelukkig kwam daar Londen, het oord waar de vier helden hun muziek maken, opnemen en gewoon fatsoenlijk verkopen. Heerlijk was het om in een redelijk grote multimedia zaak een heel fucking schap vol te zien met het album waar ik zo hartstochtelijk naar smachtte. En dan ook nog eens een stickertje erop met daarop een bedrag van 14 pond. Of dat veel goedkoper is dan hier in euro’s zou ik niet eens weten, maar kom op! Het lijkt in ieder geval lekker goedkoop. Nu ben ik weer thuis. Ik heb het cdtje ondertussen van een aantal stevige luisterbeurten voorzien, met in mijn achterhoofd dat strenge doch rechtvaardige beoordelingsmechanisme dat ik ook gebruik voor het beoordelen van te kleine toiletten, te zachte toiletpapierrollen en volslagen idiote toneelstukken met groene borsten. Ik kan nu dan ook oprecht stellen dat ik het cdtje officieel wil nomineren voor album van het jaar. Officieel voor zover iets in mijn leven dan ook maar een beetje officieel is. Dit is goede muziek.
Deze hele lap tekst is natuurlijk stiekem bedoeld als excuus om hier eindelijk weer eens een muziekje neer te pleuren. Het nummertje ‘Odds and Evens’, zoals je begrijpt. Zie hem overigens niet als de nummer één in mijn onafgemaakte top tien. Die onafgemaakte top tien wil ik graag onafgemaakt houden.
‘Odds and Evens’, dus nu. Luister ernaar. Vind het gerust kut. Maar onthoudt wel dat ik op mijn beurt musicals kut vind.
Wat kan ik erover zeggen? Een bezoekje aan een musical. Hoe leg ik dat in godsnaam uit? De door mij hartstochtelijk gehate vorm van theater. Overdreven gekloot op een met vrolijke kleurtjes overladen podium. Vaak gedomineerd door homofiele dansers en hoofdrolspelers. Een orgie van uitbundigheid en over de top vrolijkheid. Misselijkmakende mierzoete liedjes gezongen door geplamuurde vrouwelijke net-niet-zangeressen. Mislukte Idols winnaars die in een geforceerde poging het laatste beetje eer dat ze na één simpel hitje hebben overgehouden proberen te redden. Daar kan ik als alternatieve muziekliefhebber toch werkelijk helemaal niks mee?
Jawel, dus.
Tot mijn grote spijt (ik heb echt geprobeerd niet te lachen en het hele stuk bedenkelijk te kijken) moet ik toegeven dat ik het op z’n minst vermakelijk vond om toeschouwer te zijn van ’s werelds meest zoetsappige musical aller tijden. In een nogal vreemde opwelling besloot ik zaterdagnacht tijdens een avondje noeste arbeid in Helders enige theater dat ik mijn oma mee moest nemen naar een musical. Ik denk dat de twee dronken bezoeksters mij die zaterdagnacht hebben overgehaald na het inleveren van hun jassennummertjes (twee jassen waarvan één met zo’n elastieken schijtlus). “Jahaaaaa, je MOET er echt HEEENNN!! Je werkt hierr toch, kun je dan niet gewoon heengaan, voor gratis?”, gevolgd door “Jim is zooo leukkk! En die vent, die die dikke vrouw speelt, hoe heet die vent eigenlijk? Die is ook goedddddd johhh! JA, je moet gewoon! Ga er gewoon heenn! Je werkt hier toch!”. Hoe kun je zoiets weerstaan? Die twee dertigsters hadden blijkbaar de avond van hun leven gehad en wisten dat op weergaloze wijze over te brengen op een zuurpruim als ik. Een musicalhater in hart en nieren. Alcohol, potverdikkeme!
Voordat ik het wist was het geregeld. Rij vijf, in het midden. Daar mochten we plaats gaan nemen de volgende avond. Rij vijf, wat bij deze musical neerkomt op rij drie, aangezien er een orkestbak voor het podium is geïnstalleerd. Een orkestbak met muzikanten die een tijdje terug een jaren ‘60 cadillac met hun hoofden hebben mogen opvangen. Iets waar je dan stiekem toch weer op hoopt. Zo’n auto, aangestuurd door een golfwagenmotor, die dan besluit geen rekening te houden met het einde van het podium en gewoon vol die orkestbak in duikt. Paniek alom, gillende mensen, bloed en zo. Ik zag het wel gebeuren. Rij vijf dus. In het midden. Bij een musical. Zie je het voor je?
Daar zit je dan. Bij de musical ‘Hairspray’. Een roze combinatie tussen High School Musical en Grease met een vleugje Amerikaans racisme. Het beeld dat ik heb van musicals, zoals in de eerste paragraaf beschreven, dat beeld, werd op alle vlakken bevestigd. Maar ondanks dus die rondhupsende homodansers, zoals je ze op een gemiddelde zaterdagavond op rtl4 ook ziet rond stuiteren terwijl dat dertien-in-een-dozijn-doosje van achttien met haar ogen dicht ‘Im so excited’ in een microfoon staat te brullen (daarbij de microfoon met vier vingers vasthoudend, omdat met het pinkje naar de lampen boven het podium wordt gewezen), vond ik het leuk. Er zat humor in.
Ik wil er verder niet nog meer woorden vuil aan maken. Het was gezellig en ik vond een musical leuk. Vooral dat laatste is in mijn ogen het vermelden hier waard. Want het feit dat ik dat vind, kun je vergelijken met een geblondeerde Limburger in de Tweede Kamer die zegt dat zijn hondje Fatima heet en zijn favoriete vakantiebestemming Turkije is. Het wil overigens niet zeggen dat ik vaker naar een musical ga.
Het was eenmalig leuk.
Tijdens het verrichten van betaalde arbeid kom ik regelmatig tot nieuwe inzichten. Met die inzichten doe ik vervolgens nooit echt iets. Het is vaak kennis die handig is voor het te verrichten werk, maar meer ook niet. Een leuke bijkomstigheid.
Eén van de meest recente inzichten heeft te maken met mijn handelingen als ervaren jassen-ophanger. Dan sta je in een garderobe van een schouwburg jassen van mensen aan te nemen die binnen een halfuur gaan genieten van een voorstelling en overvalt zoiets je. En dan gaat het mij niet eens om de belachelijk, overdreven nichterige manier van overgeacteerd gastvrij zijn, waar ik een kei in ben. Een zwerfkei, durf ik wel te stellen. Dat is een net iets grotere kei. En een wat oudere. Hoewel je ongetwijfeld ook kleine zwerfkeien hebt, moet je mij in deze context maar even beschouwen als een enorme zwerfkei. Een enorme, homofiele zwerfkei.
Dat is dus niet waar ik heen wil hier. Dat inzicht was een tijdje terug al door mij opgemerkt. Wat ik mij recenter ineens besefte heeft te maken met lusjes. Lusjes waaraan je jassen kan ophangen, om precies te zijn. Er zijn een heel veel verschillende soorten lusjes. Sommige zijn zelfs het woord lusje onwaardig en kunnen beter ’stalen ketting’ genoemd worden. Vooral gestoffeerde jassen met hoge kraag hebben daar een handje van. Het is voor mij als garderobe-man bij iedere jas weer een verrassing waar ik mee wordt opgezadeld. Stiekem hoop ik telkens op dat eenvoudige lusje, zoals jassenlusjes bedoeld zijn. Gewoon lekker simpel, de lus is namelijk geen onderdeel van de uitstraling van een jas. Je ziet het lusje van afstand niet, dus waarom er in godsnaam een kleurtje of extra naadje aan geven. Dat hoeft gewoon niet. Geef mij maar gewoon die overzichtelijke lus.
Waar ik dan, hopend op die gebruiksvriendelijke lus, vaak op stuit is de elastieke lus. En die zijn me toch een partij kut. Niet alleen rekt het elastieke lusje na iedere ophangbeurt verder uit, wat je op zich al als een zwaarwegend minpunt kunt zien voor een fatsoenlijke lus, ook de stof waarvan de lus is gemaakt is vaak gerafeld. Dit laatste heeft tot gevolg dat het elastieken lusje vaak tegen breken aanzit en ik als nichterig pratende jasophanger met de gebakken peren zit als het elastiekje door mijn toedoen breekt. “Kun je niet ff wat voorzichtiger doen!?” krijg ik dan naar mijn hoofd geslingerd. Nee, daar word ik dan op zo’n moment niet blij van.
Vooral het elastieken lusje is dus vervelend, maar er zijn er nog meer. Zo heb je dus die stalen krengen (die ook erg gevoelig zijn), de veel te krappe lusjes in kinderjasjes (wat is daar de logica van? De jas is klein, dus het lusje dan ook maar? Het is niet zo dat kapstokhaakjes zich in grootte aanpassen aan de jas) en de lusjes die eigenlijk geen lusjes zijn, maar het flapje waarop de maat van de jas en de temperatuur waarop de jas gewassen zou moeten worden mocht je die ingetrokken vlek snot er ooit nog uit willen halen.
Lusjes zijn er om een jas makkelijker op te kunnen hangen en dus vanuit een gemakbevorderende gedachtegang ontstaan. En wat mijn nieuw verkregen inzicht in deze kwestie dan precies is?
Als je in het woord ‘lusje’ van de ‘l’ een ”k’ maakt en van de ’s’ een ‘t’, dan krijg je kutje. Dat heeft de persoon die het concept ooit bedacht heeft maar al te goed geweten!
Ik kan over zoveel dingen gaan zitten typen nu. Dat kan natuurlijk altijd en is een vrij loze constatering, maar ik bedoel er eigenlijk mee te zeggen dat ik wederom erg veel tijd heb laten verstrijken tussen deze creatieve uitbarsting en mijn vorige. Er zijn een heleboel dingen gebeurd, zoals er altijd heel veel dingen zijn gebeurd. Wederom een compleet betekenisloze constatering, maar deze keer bedoel ik te zeggen dat ik verschillende actualiteiten aan kan halen om daar dan een beetje grappig en grof over te filosoferen. Als voorbeeld noem ik dan een zaak zoals die van dat twaalfjarige meisje, hoe heet ze ook alweer, oh ja, Milly. Ik zou dan bijvoorbeeld iets kunnen schrijven als: ‘had ze maar niet zo hard aan die agent moeten zuigen’, maar zelfs ik vind dat behoorlijk smakeloos en zal er verder geen woorden aan wijden. Behalve dat ik het echt heel kut vind wat er is gebeurd. En dat dit soort dingen veel vaker gebeuren en ik me erover verbaas dat juist deze zaak zoveel media aandacht krijgt. En dat ik stille tochten echt één van de meest idiote initiatieven op deze planeet vind. Waarom ik dat vind laat ik aan de verbeelding over. Witte nike-petjes dragende, tweeëntwintig jaar oude, naar hardcore luisterende en cocaïne snuivende jongens die met tranen in hun ogen meedoen aan zo’n tocht, wil ik wel graag even laten helpen bij het verbeelden. Mensen die het zogenaamd zielig vinden voor het begraven-opgegraven-begraven slachtoffer en daarbij zo vaak in hun ogen wrijven dat ze helemaal rood en dik zijn en het dus ook nog eens lijkt alsof ze daadwerkelijk huilen om het verkrachte meisje. Laten we het daar gewoon niet over hebben.
Ik schrijf veel liever over dingen die ik wel leuk vind. Bij de gedachte aan dingen die ik leuk vind schieten er meteen een aantal dingen mij hoofd binnen. Muziek, spelletjes en alcohol zijn daarbij de voornaamste dingen die in mijn hoofd geschoten worden. En met alcohol bedoel ik natuurlijk gezellige shit met vrienden en uitgaan. Dus niet iedere avond elf goedkope blikjes bier naar binnen kletteren en met van die handschoenen zonder vingers voor een Albert Heyn of in een park honden aaien. Laat dat duidelijk zijn.
Ik ga voor deze creatieve opeenstapeling van woorden voor het tweede. Spelletjes. Sinds kort speel ik namelijk weer fanatiek een spelletje op de pc. Een schietspelletje. Het is een heel tof schietspelletje, waar ik heel veel adrenaline van krijg. Ik speel het online en schiet dan allemaal virtuele alter ego’s van medespelers dood. Zij schieten mij ook heel vaak dood, maar na tien seconden word je weer gewoon in het level geflikkerd en mag je wederom een poging doen zoveel mogelijk virtuele Russen dood te schieten. Ik haal daar heel veel genot uit. Het is namelijk zo dat het 2010 is en spelletjes alweer zo’n veertig jaar worden gemaakt. Dat betekent dat er een heleboel mensen in staat zijn bijzondere dingen te doen met de spelletjes die zij in elkaar sleutelen. Moderne spelletjes zien er grafisch echt heerlijk uit (behalve spelletjes op de Wii, dat ding produceert namelijk nauwelijks mooier dan wat er veertig jaar geleden werd geproduceerd en is dus eigenlijk naast felwit gewoon heel kut).
Ik speel al heel lang spelletjes en heb een eigenschap ontwikkeld die er op neer komt dat ik uiteindelijk in een spelletje altijd dingen aan het doen ben die niet de bedoeling zijn. Dingen waarvan de makers waarschijnlijk nooit hebben kunnen bedenken dat iemand achterlijk genoeg zou zijn het te gaan doen. Ik noem ter illustratie een rond zwemmende school visjes in het spel Super Mario 64 dat ik vakkundig het water-omringende zand in joeg. De makers hadden tijdens de ontwikkeling van het spel waarschijnlijk nooit stil gestaan bij het eventuele plezier dat een blond jongetje zou halen uit het achtervolgen van decoratief geplaatste 2D vissen.
Die vreemde drang tot onzinnigheid is in de loop der jaren niet minder geworden en is één van de redenen dat het schietspelletje waar ik eerder over schreef mij zo kan bekoren. Het spel bevat namelijk een eigenschap die bij uitstek geschikt is voor mij om mijn idiote drang tot het belachelijke te botvieren. Alles kan namelijk kapot. Huizen, muurtjes, voertuigen, bomen, stoelen, tafels, noem het maar op en het kan kapot. En dat, lieve lezers, is voor mij als wat een twaalfjarig jongetje is voor een pastoor. Ik kan zo opgewonden raken van een bakstenen muurtje dat in duizenden stukken uit elkaar spat door een goed geplaatste handgranaat. Of een palmboom die door een welgemikte kogel keihard omver lazert. Heerlijk, vind ik dat. Zien dat een vijandige alter ego zich verschuilt op de eerste verdieping van een houten schuurtje en dan vervolgens met totaal overbodig veel geweld dat complete schuurtje aan gort blazen in de hoop dat de tegenstander met gebouw en al kapot gaat en als gevolg daarvan tien seconden vloekend naar zijn beeldscherm mag zitten kijken.
Dingen kapot maken, daar houd ik nou echt van.
Zo heeft het kunnen gebeuren dat ik op deze eerste Paasdag in plaats van brunchen met familieleden, een houten stoeltje met een mes in zesenveertig stukjes heb zitten snijden.
Het lijkt me wel weer lekker om er maar meteen even een dikke unit van een cliché uit te smijten, dus: TIJDJE GELEDEN ALWEER! Zo, heerlijk. Echt gewoon even zo eentje. Ik heb de afgelopen weken meerdere malen voor dit ‘add a new post’-schermpje gezeten, maar er kwam niks uit. Echt helemaal niks. Dat je in de woonkamer een broodje zit te eten met een heerlijk glas melk en dan ineens voelt dat je naar de wc moet, vervolgens je glaasje melk op tafel neerzet en in een stevig drafje naar het toilet stapt, om vervolgens al zittende te ontdekken dat het alleen een ingeving was en Finidi nergens te bekennen is en hij je gewoon een beetje zat te fucken. Vijf minuten later neem je opnieuw een slok van je glaasje melk en komt die hufter ineens weer heel sneaky met z’n hoofd om het hoekje. En dat dan twee weken lang.
Dat is vervelend. Ik wil het namelijk wel, maar het blijft dan gewoon ergens hangen ofzo. Misschien komt het door al die dingen die ik de laatste tijd voor m’n studie moet schrijven. Die recensies die ik moet schrijven vergen nogal wat creatieve herseninspanning van me. Zo zat ik van de week bij een toneelstuk. Het was de bedoeling dat ik er in minimaal negenhonderd woorden een degelijk stuk tekst over schreef, waarin ik op fatsoenlijke wijze een poging doe in nette bewoordingen te beargumenteren waarom ik het echt een klotestuk vond. Met alleen ‘wat een ongelooflijk chaotisch klerestuk was dat, zeg!’ kom je niet weg dan. Onderbouwen is een vereiste. Ik zal even laten zien over wat voor stuk ik het heb, dat zal ongetwijfeld wat begrip scheppen.
Gezien? Oké.
Dan begrijp je bij deze de moeite die ik had bij het schrijven van een fatsoenlijke lap tekst over het toneelstuk. Hoewel, dit filmpje toont lang niet alle vreemde dingen die er in het complete stuk voorbij komen. Zo noem ik graag een met groene verf ingesmeerd halfnaakt meisje (als in niks meer dan een witte broek om haar benen (jazeker: TIETEN!)) die gedurende vijftien minuten een kaktus heeft staan knuffelen. De absurde symboliek denk ik daar wel uit te kunnen halen, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat het een erg vreemde vertoning is. Als echte man wil ik daarbij wel even gezegd hebben dat er met de borsten absoluut niks mis was. Een lekkere hand vol.
Verder vond ik het veel jongere meisje dat in een felwitte oufit een speelgoed hondje uitliet en onder de bloedspetters zat, toch ook wel vrij idioot. En natuurlijk mag de jongen die in een aan de voorkant aan flarden geknipt legeruniform ongeveer driekwartier over het podium heeft liggen kruipen, niet ontbreken. Achteraf gezien allemaal best wel grappig eigenlijk. Misschien was het ook wel een heel sterk stuk, maar heb ik gewoon teveel gekeken naar de borsten die voorbij kwamen. De verhaallijn is mij namelijk volledig ontgaan. De borsten allerminst.
Het was een mooie ervaring om als toneelleek tussen de serieuskijkende brillendragers te zitten in een sfeervol klein theatertje in Amsterdam. Maar veel vaker ga ik het ongetwijfeld niet doen.
En nu, ga ik mijn tijd nuttig besteden.